INLEIDING 6.4 DOOR HERHALING H4H6

INLEIDING 6.4 
DOOR HERHALING H4H6
1 / 34
next
Slide 1: Slide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

INLEIDING 6.4 
DOOR HERHALING H4H6

Slide 1 - Slide

WAAROM IS HET BELANGRIJK DAT JE EERDER GELEERDE STOF HERHAALD?
A
Herhaling van lesstof blijkt de enige echte remedie tegen het vergeten.
B
Anders weet de docent niet waar zij gebleven is
C
Anders weet de leerling niet waar hij/zij gebleven is
D
Anders is het abonnement van LessonUp niet meer geldig voor de docent

Slide 2 - Quiz

OEFENEN: EERST NADENKEN 
daarna boek gebruiken

Slide 3 - Slide

paragraaf 4.1
  • Kernconcept STAATSVORMING
  • Kernconcept RATIONALISERING
  • Kenmerken soevereine staat
  • Concepten zoals: politieke macht, formele macht, machtsevenwicht, machtsongelijkheid, machtsoverwicht, machtsuitoefening, machtsvacuüm, interne- en externe soevereine macht e.a.

Slide 4 - Slide

waarom hebben we een
staat/overheid nodig?

Slide 5 - Mind map

Staat nodig
om collectieve goederen te organiseren
Dit kun je als individu niet.

Slide 6 - Slide

Welk machtsmiddel heeft de overheid om burgers te dwingen om mee te werken aan collectieve acties?
A
geweldsmonopolie
B
overdrachtsmonopolie
C
belasting monopolie
D
privilege monopolie

Slide 7 - Quiz

Wanneer spreken we van een échte staat?

Slide 8 - Open question

INTERNE  SOEVEREINITEIT


  1. als het hoogste gezag regeert over een groep mensen
  2. een bepaald grondgebied
  3. belasting- en geweldsmonopolie
EXTERNE SOEVEREINITEIT

  1. als het staatsgezag niet ondergeschikt is aan het gezag van andere staten
  2. andere staten erkennen het staatsgezag als het hoogste gezag over de bevolking op dat grondgebied

Slide 9 - Slide

paragraaf 4.2
Kernconcept POLITIEKE SOCIALISATIE

Concepten zoals: conflictmodel, harmoniemodel, poldermodel, politieke systeem e.a.

Slide 10 - Slide

socialisatie van politieke systeem

Slide 11 - Slide

POLITIEKE CULTUUR
= het geheel van politieke relevante
tradities, kennis, opvattingen en oordelen 
die kenmerkend zijn voor een land, 
maar ook voor groepen daarbinnen en 
voor groepen/organisaties die landsgrenzen doorkruisen (syllabus)

Slide 12 - Slide

noem kenmerken van de NL politieke cultuur

Slide 13 - Mind map

Je wordt politiek gesocialiseerd door opvoeding, opleiding, omgang met anderen.
Ook door media en het systeem zelf. Noem van de laatste twee elk één voorbeeld. (pagina 69/70)

Slide 14 - Open question

Conflict
model
Harmonie
model
Overleg
Demonstraties
Poldermodel
Consensus
Strijd
Stakingen

Slide 15 - Drag question

paragraaf 4.3
Kernconcept IDEOLOGIEËN

Concepten zoals: links/rechts, conservatief/progressief, materialisme/post materialisme, socialisme, liberalisme, confessionalisme, politiek-, economisch- en sociaalcultureel vlak

Slide 16 - Slide

4.1-4.3
Om de staat te begrijpen (= begrijpen hoe de overheid werkt)
moet je begrijpen hoe de politieke cultuur in elkaar steekt en hoe de politieke cultuur wordt overgedragen (4.2).
Een belangrijke basis om te begrijpen waarom actoren (politici, partijen, vakbonden, werkgeversorganisaties e.d.) op een bepaalde manier handelen is het handig om te begrijpen obv welke waarden ze handelen............... IDEOLOGIE 

Slide 17 - Slide

Sleep de ideologie naar de juiste opvatting.
'Traditionele rolverdeling is belangrijk en daarom moet er belastingkorting zijn voor éénverdieners.'
'De vrijheid van het individu staat voorop. De overheid moet zich neutraal opstellen.'
'De overheid moet ingrijpen om de gelijkheid tussen man en vrouw en verschillende samenlevingsvormen te bevorderen.'
Confessio-
nalisme
Liberalisme
Socialisme en sociaaldemocratie

Slide 18 - Drag question

Economisch
Cultuur
Politiek
Hoe moet de macht worden verdeeld?
Hoe moeten goederen geproduceerd en gedistribueerd (verdeeld) worden?
Hoeveel vrijheid ten opzichte van de overheid mogen mensen hebben?

Slide 19 - Drag question

paragraaf 4.4
Kernconcept POLITIEKE INSTITUTIES

Concepten zoals: organisaties, kiesstelsel (evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel)

Slide 20 - Slide

Politieke instituties
  • regels die te maken hebben met politieke macht

  • in de loop van de staatsvorming zijn er allerlei regels bedacht om de democratie goed te laten werken

Slide 21 - Slide

De Algemene Beschouwingen zijn een voorbeeld van:
Politieke instituties
Complex van min of meer geformaliseerde regels, die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtauitoefening en politieke besluitvorming reguleren.

A
politieke institutie
B
sociale institutie
C
ideologie
D
politieke socialisatie

Slide 22 - Quiz

Wat is een goed voorbeeld van een politieke institutie?
A
volksvertegenwoordiging
B
het gelijkheidsbeginsel
C
de voorzitter van de Tweede Kamer
D
de rechterlijke macht

Slide 23 - Quiz

De democratische rechtsstaat is een
A
Instituut
B
Sociale Institutie
C
van de Klassieke Grondrechten
D
een samenstel van twee Politieke Instituties

Slide 24 - Quiz

H6 Politiek in de praktijk

Slide 25 - Slide

Paragraaf 6.1 (stabiliteit van politieke systemen) 
Kernconcept REPRESENTATIE / REPRESENTATIVITEIT

Concepten zoals: politieke bindingen

Slide 26 - Slide

REPRESENTATIE & REPRESENTATIVITEIT
Representatie
Representativiteit
50% van Alkmaar is vrouw dus is de helft van de gemeenteraad vrouwelijk
Mensen stemmen op volksvertegenwoordigers

Slide 27 - Drag question

Paragraaf 6.2 Politieke Partijen
Functies van politieke partijen: rekrutering en selectie, mobilisatie, articulatie, aggregatie, communicatie

Veranderingen politieke partijen: 
  • er zijn meer zwevende kiezers
  • aantal mensen dat lid is van een politieke partij neemt af
  • toenemende concurrentie van media en pressiegroepen
  • zijn zich meer gaan richten op binnenhalen politieke functies


Slide 28 - Slide

Combineer de politieke partij met de juiste ideologie.
Confessionalisme
Liberalisme
Socialisme / Sociaal-democratie

Slide 29 - Drag question

Paragraaf 6.3 BESLUITVORMINGSMODELLEN
SYSTEEMMODEL


BARRIÈREMODEL

Slide 30 - Slide

Het systeemmodel bestaat uit verschillende fasen. Zet de subfasen van de fase OMZETTING in de goede volgorde 
Subfase 1
Subfase 2
Subfase 3
Uitvoer
Agendabepaling
Beleidsvoorbereiding
Feedback
Beleidsbepaling
Beleidsevaluatie
Invoer

Slide 31 - Drag question

welke fase in beide modellen?

Slide 32 - Slide

Waar in het 1) systeemmodel en
2) barrièremodel
bevindt dit voorstel zich?
A
1) uitvoering 2) barrière 4: uitvoering
B
1) uitvoering 2) barrière 1: (h)erkennen van het probleem door de politiek
C
1) terugkoppeling 2) barrière 4: uitvoering
D
1) terugkoppeling 2) barrière 1: (h)erkennen van het probleem door de politiek

Slide 33 - Quiz

Paragraaf 6.4 
WE GAAN KIJKEN NAAR FACTOREN DIE VAN INVLOED ZIJN OP HET BESLUITVORMINGSPROCES
=
OMGEVINGSFACTOREN

VOOR VOLGENDE KEER 
lees H6.4 tm pagina 116

Slide 34 - Slide