Les 4 en Les 5 - Zo hoort het dus bij tram en bus (Les 6 is de toets)

Les 4 Zo hoort het dus bij tram en bus
1 / 55
next
Slide 1: Slide
M&MVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 55 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 4 Zo hoort het dus bij tram en bus

Slide 1 - Slide


Doel: Aan het einde van de les weet je:
-Welk gedrag je moet hebben bij bus- en tramhalte
-Hoe het gaat bij in- en uitstappen
-Hoe je moet handelen, als je op de fiets een tram- of bushalte nadert

Slide 2 - Slide

Weet je:
- Dat je niet op een busstrook mag rijden?
-Dat je binnen de bebouwde kom moet wachten op een bus die vanaf een halte gaat wegrijden?
-Dat je na het uitstappen goed moet uitkijken als je de straat over moet. (Indien mogelijk: gezamenlijk oversteken)

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Als een bus stopt, laat je de passagiers eerst ________ 
oponthoud
uitstappen
dringen
duwen
OV-chipkaart

Slide 5 - Drag question

bij het in- en uitstappen moet je niet ______ en ________
oponthoud
uitstappen
dringen
duwen
OV-chipkaart

Slide 6 - Drag question

Je zorgt bij het instappen, dat je een _______ bij de hand hebt. 
oponthoud
uitstappen
dringen
duwen
OV-chipkaart

Slide 7 - Drag question

Dan heeft de bus of tram weinig _______ 
oponthoud
uitstappen
dringen
duwen
OV-chipkaart

Slide 8 - Drag question

waar of niet waar! 

Slide 9 - Slide

Een bus kan plotseling remmen
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quiz

Tassen mag je op de stoel naast je leggen.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quiz

Je mag staan in de bus.
A
waar
B
niet waar

Slide 12 - Quiz

Je staat op voor ouderen of mensen die moeite hebben met staan
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quiz

je mag op de grond zitten
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quiz

Tassen horen op het tassenrek of onder je stoel
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quiz

Zodra de deuren open gaan, stap ik direct in.
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quiz

bekijk het plaatje goed! 

Slide 17 - Slide

Pa zegt: "hier ga ik stoppen, want de voetgangers willen oversteken."
"Als ik achter het stuur zat, zou ik dat niet doen", zegt Paul.
Met wie ben jij het eens?
A
pa
B
paul

Slide 18 - Quiz

Bekijk het plaatje goed

Slide 19 - Slide

Marleen en Bert rijden een stilstaande tram voorbij. Waar moeten ze rekening mee houden?

Slide 20 - Open question

Bekijk het plaatje goed. 

Slide 21 - Slide

"even wachten", zegt Louise .
"de bus gaat wegrijden."
"Nee hoor", zegt Karin.
"We kunnen er wel voorbij."
wie heeft er gelijk?
A
Louise
B
Karin

Slide 22 - Quiz

Bekijk het plaatje goed. 

Slide 23 - Slide

Hoe wist Louise dat de bus weg zou rijden?

Slide 24 - Open question

"Je kan hier wel voorbij", zegt Wim. "er komt niets aan en de bus staat stil."
"Ik moet even wachten", zegt pa.
"De bus rijdt dadelijk weg en we zijn hier binnen de bebouwde kom."
Wat pa zegt is...
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quiz

bekijk het plaatje goed. 

Slide 26 - Slide

De bus staat nog stil.
Wim en Ilse willen oversteken.
Ilse kan het verkeer van...
A
links niet zien aankomen.
B
rechts niet zien aankomen

Slide 27 - Quiz

Wim kan het verkeer van
A
links niet zien aankomen.
B
rechts niet zien aankomen

Slide 28 - Quiz

Waar zou jij gaan staan als je bent uitgestapt. Waarom?

Slide 29 - Open question

De les is afgelopen!

Slide 30 - Slide

Les 5   Zo hoort het dus bij tram en bus!

Slide 31 - Slide

Terugblik
-Je weet dat je de bus, binnen de bebouwde kom, voorrang moet verlenen, als hij bij een halte wil vertrekken.

Slide 32 - Slide

Wist je....
-dat je geen gebruik van een zebra hoeft te maken bij het oversteken naar of vanaf een tramhalte?
-Het is wel aan te bevelen, want nu hoeft het verkeer niet voor jou te stoppen en bij een zeebra-pad wel.

Slide 33 - Slide

Bekijk het plaatje goed

Slide 34 - Slide

Busstrook.
Deze rijstrook is voor de bus. 

Slide 35 - Slide

Je mag met de fiets, auto of motor...
A
ook rijden of stilstaan op de busstrook.
B
niet rijden of stilstaan op de busstrook.

Slide 36 - Quiz

Een ambulance mag
A
wel in de rijstrook van de bus komen.
B
niet in de rijstrook van de bus komen.

Slide 37 - Quiz

Wie mag er naast de ambulance en de bus nog meer in de rijstrook van de bus komen?

Slide 38 - Open question

Je mag een bus die wegrijdt
A
buiten de bebouwde kom niet inhalen.
B
binnen de bebouwde kom niet inhalen.

Slide 39 - Quiz

Bij een bushalte mag je met een auto
A
stoppen om inzittende snel uit te laten stappen
B
niet stoppen

Slide 40 - Quiz

Wat is de regel?
Alle bestuurders die van _____ komen, hebben voorrang.

Slide 41 - Open question

Geef het door, 
rechts gaat voor

Slide 42 - Slide

Let op!
Uitzondering 1:
Deze regel geldt niet voor bestuurders van een tram. 
Als er een tram bij een gelijkwaardig kruispunt komt, heeft deze voorrang. 

Slide 43 - Slide

Wat is de goede volgorde van voorrang?
A
a-b
B
b-a

Slide 44 - Quiz

Wat is de goede volgorde van voorang?
A
fiets- auto- tram
B
tram- auto - fiets
C
fiets- tram - auto
D
tram- fiets -auto

Slide 45 - Quiz

Let op!
De uitzondering geldt alleen bij een gelijkwaardig kruispunt. 
Staan er voorrangborden? Dan moet de tram zich daar gewoon aan houden. 

Slide 46 - Slide

Wie heeft er hier voorrang?
A
Sanne op de fiets
B
de tram

Slide 47 - Quiz

Wat betekent dit bord?

Slide 48 - Open question

Wat betekent dit bord?

Slide 49 - Open question

Jos moet de tram...
A
wel voorrang verlenen
B
geen voorrang verlenen

Slide 50 - Quiz

Wie heeft hier voorrang?
A
de auto
B
de tram

Slide 51 - Quiz

Welk woord past het best in de zin?

Slide 52 - Slide

De basisregel is dat bestuurders van ____ voorrang hebben.
A
gelijkwaardig
B
links
C
rechts
D
geregeld

Slide 53 - Quiz

Voor trams geldt dit niet, bij een ____ kruispunt hebben zij altijd voorrang
A
gelijkwaardig
B
links
C
rechts
D
geregeld

Slide 54 - Quiz

Einde van les 5.

Slide 55 - Slide