Lesuitvoering en Evaluatie 07

Je gaat met je leerling het onderdeel afslaan op kruispunten oefenen. Welk onderdeel ga je als eerst laten uitvoeren?
A
Voorrang verlenen.
B
Snelheid aanpassen.
C
Signaleren (scannen).
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Je gaat met je leerling het onderdeel afslaan op kruispunten oefenen. Welk onderdeel ga je als eerst laten uitvoeren?
A
Voorrang verlenen.
B
Snelheid aanpassen.
C
Signaleren (scannen).

Slide 1 - Quiz

Na de les bespreek je de resultaten met de leerling. Hoe doe je dat?
A
Je geeft aan wat de leerling goed en fout deed.
B
Je laat de leerling vertellen wat hij fout deed.
C
Je laat de leerling vertellen waarom het fout ging.

Slide 2 - Quiz

Een gevorderde leerling wil te dicht achter een stilstaande vrachtauto stoppen. Hoe kunt u het beste reageren?
A
U zegt niets en komt hier aan het einde van de les op terug.
B
Nadat de leerling is gestopt vraagt u de leerling wat hij ervan vindt.
C
U laat de leerling de fout maken.

Slide 3 - Quiz

Een beginnende leerling rijdt in de derde versnelling met 50 km/u op een rotonde af. Op welk leerling-gedrag moet de rijinstructeur in deze fase van de opleiding commentaar geven?
A
Het kijken in de spiegels.
B
Het richting aangeven bij het verlaten van de rotonde.
C
De snelheid.

Slide 4 - Quiz

Je hebt een leerling die snel overladen raakt. Wat doe je?
A
Je geeft hem veel deelhandelingen en laat hem lange stukken rijden.
B
Je geeft voor de helft aan deelhandelingen en laat de leerling voor de helft lange stukken rijden.
C
Je geeft weinig deelhandelingen en laat de leerling lange stukken rijden.

Slide 5 - Quiz

Je krijgt een leerling in de auto die iets moest leren over rotondes. Dat had je hem als leeropdracht meegegeven. De leerling heeft dit niet gedaan en de leerling heeft geen goede reden. Wat doe je?
A
Je geeft de leerling een standje en zegt dat hij het had moeten leren.
B
Je zegt dat dit niet de afspraak was.
C
Je zegt dat het niet uitmaakt en begint gewoon met de les.

Slide 6 - Quiz

Je gaat met je leerling voor de eerste keer afslaan oefenen. Hoe begin je?
A
Je rijdt naar een rustige plek en legt hem uit hoe je moet afslaan.
B
Je laat hem een route rijden en bij het afslaan zeg je hardop wat hij moet doen.
C
Je laat hem tijdens het afslaan hardop zeggen wat hij moet doen.

Slide 7 - Quiz

De rijinstructeur gaf de leerling de opdracht om thuis de les spoorwegovergang door te nemen. Hij was van plan de volgende les met zijn leerling dit onderdeel te oefenen. Tijdens deze les komt hij toevallig tot stilstand voor een spoorwegovergang. Hoe moet hij in deze situatie handelen?
A
Hij keert om en gaat verder met zijn leerling.
B
Hij stelt vragen aan de leerling betreffende de spoorwegovergang.
C
Hij bespreekt met de leerling deze situatie.

Slide 8 - Quiz

Je nadert met je leerling een spoorwegovergang waar de slagboom half open is en van de andere kant nadert veel verkeer. De leerling zit in de eindfase complex verkeerssituatie. De leerling rijdt naar deze complexe verkeerssituatie toe. Hoe ga je handelen?
A
Je kiest een alternatieve route.
B
Je laat je leerling ernaartoe rijden en laat hem het zelf oplossen.
C
Je laat hem er naartoe rijden en vertelt hoe hij moet handelen.

Slide 9 - Quiz

Je gaat met de leerling rechts afslaan oefenen. Bij het afslaan bleek dat zij met ingetrapte koppeling afsloeg. Wat is niet goed gedaan?
A
Je had eerder terugschakelen moeten oefenen.
B
Was niet goed opgeleid.
C
LL heeft te weinig aandacht besteed aan de koppeling.

Slide 10 - Quiz

Als rijinstructeur rijdt u met een gevorderde leerling. Deze leerling aarzelt en gaat te laat naar de linkerrijstrook om juist voorgesorteerd te staan voor het naar links afslaan. Welk commentaar geeft de rijinstructeur volgens de Rijprocedure?
A
Het zijdelingse verplaatsen of wisselen van rijstrook moet je tijdig en vloeiend doen.
B
Volgende keer tijdig richting aangeven.
C
Volgende keer eerder naar links gaan.

Slide 11 - Quiz

Een oude persoon heeft al geruime tijd zijn rijbewijs. Hoe dient men te handelen?
A
Bij het begin beginnen.
B
Vragen wat hij al beheerst en daar beginnen.
C
Laten rijden en zijn niveau vaststellen en daar beginnen.

Slide 12 - Quiz

Leerling rijdt in een fase van zelfstandig rijden, maar hij maakt echter nog fouten. Wat ga je als rijinstructeur doen?
A
Je vraagt aan je leerling na de uitvoering wat er fout ging en waarom.
B
Einde van de les ga je bespreken.
C
Tijdens de uitvoering reageren.

Slide 13 - Quiz

Tijdens de rijles met een beginnende leerling staat een bus bij de bushalte, die zijn richtingaanwijzer nog naar rechts heeft aanstaan en dus nog niet wil wegrijden. Welke hint geef je de leerling hiervoor?
A
De bus heeft voorrang.
B
Houd rekening met de bus.
C
Je zegt niets.

Slide 14 - Quiz

Wat is het gevolg als positief commentaar in combinatie met negatief commentaar wordt gegeven?
A
Werkt motiverend en goed voor het zelfvertrouwen.
B
Goed voor het zelfvertrouwen en zorgt dat de leerling successen en falen aan de juiste oorzaken kan toeschrijven.
C
Goed voor het zelfvertrouwen, werkt motiverend en zorgt dat de leerling successen en falen aan de juiste oorzaken kan toeschrijven.

Slide 15 - Quiz

Een leerling schakelt ruw tijdens zijn eerste les schakelen. De rijinstructeur houdt de hand vast van de leerling om schakelbewegingen hem aan te leren. Hoe had hij in deze situatie moeten omgaan?
A
Het hangt af van de leerling of deze leerling het op prijs stelt of niet.
B
Hij gaat zijn hand ten aller tijden vast houden om de bewegingen te oefenen.
C
Hij gaat zijn hand niet vast houden om misverstanden te voorkomen.

Slide 16 - Quiz

Aan het einde van de les stelt de rijinstructeur de vraag aan de leerling "waar heb jij deze les het meeste van opgestoken?" Wat voor gevolg heeft deze vraag bij de meeste leerlingen?
A
De leerling krijgt inzicht in zijn eigen vorderingen.
B
De leerling krijgt inzicht in de manier waarop u lesgeeft.
C
De leerling weet dan wat hij goed en fout heeft gedaan.

Slide 17 - Quiz

Einde les ga je de les rechts afslaan bespreken. Je vertelt wat de leerling deze les fout heeft gedaan. Je maakt vervolgens afspraken voor de volgende les. Wat zal het gevolg zijn voor de leerling?
A
Het volgende leerproces zal sneller verlopen.
B
Leerling wordt onzeker.
C
LL weet precies wat hij volgende keer moet verbeteren.

Slide 18 - Quiz

Leerling is bezig met EVS. Bij de afronding van de les vraag je steeds hoe de verkeerssituatie is verlopen. Je vraagt steeds waarom bepaalde dingen goed gingen en waarom bepaalde dingen niet goed gingen. Wat is het gevolg van deze aanpak?
A
LL krijgt minder zelf vertrouwen.
B
Leidt tot verwarring bij LL.
C
LL leert kritisch naar zijn eigen kennen en kunnen te kijken.

Slide 19 - Quiz

Einde les houd je een productevaluatie. Wat wil hiermee bereiken?
A
Of de doelstelling geheel of gedeeltelijk is bereikt.
B
Je wilt weten wat nodig is om je manier van lesgeven te verbeteren.
C
Om de leerstijl van de LL beter te kunnen vaststellen.

Slide 20 - Quiz

Einde les houd je een procesevaluatie. wat wil je hiermee bereiken?
A
Of de doelstelling geheel of gedeeltelijk is bereikt.
B
Je wilt weten wat nodig is om je manier van lesgeven te verbeteren.
C
Om de leerstijl van de LL beter te kunnen vaststellen.

Slide 21 - Quiz

Je gaat het leerresultaat met de leerling bespreken. Je geeft de leerling daarbij feedback. Je stelt vervolgens elke stap van de les aan de orde. Wat is het doel van deze bespreking?
A
Hoe het leerproces in deze les is verlopen.
B
Of de doelstelling die je van de les had vastgesteld al dan niet is bereikt.
C
Je wilt de prestatie van de leerling versterken met andere leerlingen.

Slide 22 - Quiz

Einde les houd je een bespreking. Wat moet je bespreken?
A
Alle onderwerpen die deze les aanbod zijn gekomen en wat de LL die les nieuw heeft geleerd.
B
Onderdelen van vorig les en wat de LL deze les heeft geleerd.
C
De fouten die de leerling gemaakt heeft voor wat betreft het aangeleerde onderdeel.

Slide 23 - Quiz

Je komt met een leerling aanrijden bij een bushalte waar een bus staat.
Wat voor hint geeft je de leerling?
A
Remmen, de bus heeft voorrang.
B
Let op de bus.
C
Geef maar gas, die bus gaat toch nog niet rijden.

Slide 24 - Quiz

Wanneer is er sprake van afstemming die stuurt naar een hoger niveau?
A
De leerling in de gelegenheid stellen om zijn fouten op te merken en feedback te geven.
B
De beginnende leerling in de gelegenheid te stellen om zijn fouten op te merken en feedback te geven.
C
De gevorderde leerling in de gelegenheid te stellen om zijn fouten op te merken en feedback te geven.

Slide 25 - Quiz

Je hebt een leerling die niet gewend is om te rijden in een drukke omgeving en maakt altijd fouten bij het afhandelen van verkeerssituaties. hoe ga je in deze situatie handelen?
A
Je laat de leerling het zelfstandig uitvoeren.
B
Leerling geruststellen en zegt dat de leerling het zelf moet uitvoeren.
C
Je geeft een compliment aan de leerling als hij de handeling heeft uitgevoerd en netjes iets heeft uitgevoerd.

Slide 26 - Quiz

Je rijdt met een positief faal-angstige, beginnende leerling op een drukke autosnelweg. De leerling heeft invoegen reeds geleerd op de autosnelweg. De leerling beheerst het voertuig volledig. Is deze invoegstrook geschikt voor deze leerling?
A
Ja, met begeleiding.
B
Ja, zonder begeleiding.
C
Nee, deze invoegstrook is niet geschikt voor de leerling.

Slide 27 - Quiz

Tijdens een les waarin u vooral wilt coachen, nadert uw leerling deze situatie. Deze leerling stopt voor de V.O.P. Op welke manier kunt u het beste reageren?
A
U vraagt aan de leerling waarom hij stopt.
B
U vraagt naar de verkeersregels rondom een V.O.P.
C
U geeft de leerling een compliment.

Slide 28 - Quiz

Je hebt een gevorderde leerling, die bijna moet afrijden. Alleen vandaag zit de leerling met witte knokkels achter het stuur. Wat doe je in deze situatie?
A
Je maakt een grapje om de spanning te breken.
B
Je probeert de leerling af te leiden.
C
Je stelt de leerling op zijn gemak.

Slide 29 - Quiz

Een gevorderde leerling wil te dicht achter een vrachtauto stoppen. Wat doe je in deze situatie?
A
De LL de fout laten maken.
B
Nadat de LL gestopt is, vragen wat hij ervan vindt.
C
Einde van de les op terug komen en natuurlijk bespreken.

Slide 30 - Quiz

Tijdens de les ga je een lesstap evalueren nadat je de leerling de stap (dmmm) hebt laten uitvoeren. Wat kun je het beste doen?
A
Je geeft aan wat fout ging.
B
LL open vragen stellen.
C
LL vragen wat er goed ging.

Slide 31 - Quiz

Je rijdt met je leerling op een klinkerweg binnen bebouwde kom en nadert een gelijkwaardig kruispunt. Links staan auto’s geparkeerd, voor je rijdt een fietser en voorbij het kruispunt staat het bord ‘doodlopende straat’.
Uw leerling moet bij het kruispunt zelf beslissen hoe hij verder gaat. U wilt dat hij naar links of naar rechts afslaat (dus niet rechtdoor rijdt). Wat voor hint kunt u dan het beste geven?
A
U wijst naar het bord doodlopende weg.
B
U wijst op de onoverzichtelijke situatie links.
C
U zegt: we blijven doorgaand verkeer volgen.

Slide 32 - Quiz

De leerling nadert dit kruispunt. Je geeft de leerling de opdracht om linksaf te slaan. Na veel twijfelen gaat de leerling op de rechter rijstrook staan. Wat voor commentaar geeft je de leerling?
A
Je zegt dat de leerling verder vooruit moet kijken.
B
Je zegt dat de leerling tijdig richting moet aangeven.
C
Je zegt dat de leerling meteen de juiste rijstrook moet kiezen.

Slide 33 - Quiz

Je bent aan het lessen met een leerling. Tijdens de uitvoering van een handeling spreekt de leerling tegen zichzelf met de bedoeling de handeling te begrijpen. Op welk niveau bevindt de leerling zich?
A
De leerling voert de handeling op geautomatiseerd niveau uit.
B
De leerling voert de handeling op half geautomatiseerd niveau uit.
C
De leerling voert de handeling op cognitief beheersingsniveau uit.

Slide 34 - Quiz

De rijinstructeur gaat achteruit parkeren oefenen met een leerling. Het betreft lege vakken aan de rechterzijde van de rijbaan in een 30 km zone. Voor welke leerling is deze locatie het meest geschikt?
A
Beginnende leerling.
B
Gevorderde leerling.
C
Leerling die in de eindfase van zelfstandig rijden zit.

Slide 35 - Quiz

Je bent aan het rijden met een leerling en er duikt plotseling een mistbank op. De leerling is al ver in de opleiding en zit al op het geautomatiseerd beheersingniveau. Wat doe je?
A
Je kiest een route waar minder mistvorming is.
B
Je laat de leerling stoppen en jij rijdt verder.
C
Je laat de leerling gewoon voorzichtig doorrijden, hij leert hiervan.

Slide 36 - Quiz

De leerling rijdt een route met complexe verkeerssituaties. Tijdens het rijden schakelt de leerling een aantal keren mis. Hoe kun je didactisch gezien het beste handelen?
A
Je zegt niks, het komt vanzelf wel weer goed.
B
Je zegt: "een foutje kan gemaakt worden."
C
Je vraagt of de leerling alle handelingen wil vertellen van op- en terug schakelen.

Slide 37 - Quiz

U bent met een gevorderde leerling aan het oefenen voor het examen. U laat een gevorderde leerling een route rijden en beoordeelt deze als een echt examen. Tijdens de rit merkt u dat de leerling nog wat hints nodig heeft. Wat doet u?
A
Ik geef hints want de leerling moet straks het examen halen.
B
Ik bespreek na afloop de punten en geef dan mijn hints voor de betreffende situaties.
C
Ik stop na zo'n situatie langs de kant van de weg om hem te bespreken.

Slide 38 - Quiz

Jouw leerling heeft net een fout gemaakt, maar rijdt nu een complexe kruispunt over en jij gaat hem/haar nu die fout uitleggen. Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
De leerling begrijpt wat hij fout heeft gedaan.
B
De leerling zal hoogstwaarschijnlijk een fout maken op het kruispunt.
C
De leerling zal foutloos het kruispunt berijden.

Slide 39 - Quiz

Je hebt een leerling die bocht achteruit rijden gaat oefenen. Hij maakt veel fouten en jij corrigeert deze fouten niet. Wat is hiervan het gevolg?
A
Hij krijgt hierdoor veel oefentijd.
B
Hij zal het rijden als iets positiever beleven.
C
Hij zal hierdoor de handelingen niet correct leren.

Slide 40 - Quiz

Je leerling gaat invoegen op de autosnelweg, als het druk is weet hij niet precies hoe hij moet handelen, toch heeft hij al meerdere malen zijn opdracht goed uitgevoerd. Waar ligt dat aan?
A
Leerling moet invoegen nog automatiseren.
B
Heeft geen zelfvertrouwen.
C
Leerling rijdt op cognitief beheersingniveau.

Slide 41 - Quiz

Leerling zit in CVS. Je laat de leerling invoegen op de autosnelweg. LL voegt te dicht voor een vrachtauto in. De bestuurder van de vrachtauto moet remmen. Waaraan moet de LL vooral werken?
A
LL moet in het vervolg hardop verwoorden.
B
LL moet leren om een veiligheidsmarge aan te houden.
C
LL moet leren invoegen te automatiseren.

Slide 42 - Quiz

Een foto met lege parkeervakken. De lesauto staat midden op de lijn (of komt zodanig uit) tussen 2 vakken. Achter de auto lopen 2 voetgangers met een krat bier. Welke fout heeft de leerling gemaakt?
A
Niet de ideale parkeerlijn gevolgd.
B
Stuurtechniek is onjuist.
C
Niet slippende koppeling gehanteerd.

Slide 43 - Quiz

Leerling beheerst het invoegen wel maar maakt af en toe nog enkele fouten. Rijinstructeur laat de leerling invoegen in deze situatie. (lange invoegstrook met weinig verkeer op de autosnelweg en aan de rechterkant zie je een bord met 100km). Wat is het gevolg voor de leerling?
A
Leerling kan hier beter observeren en heeft veel tijd voor zijn omgeving.
B
Leerling gaat nog steeds fouten maken.
C
Leerling raakt gedemotiveerd.

Slide 44 - Quiz

Je oefent met je leerling eenvoudige verkeerssituaties, je leerling komt aanrijden bij een polderweg, er komt een tegenligger aanrijden. Wat moet je leerling geautomatiseerd al kunnen?
A
Plaats op de weg.
B
Snelheid aanpassen.
C
Voertuigbeheersing.

Slide 45 - Quiz

De leerling rijdt een route met complexe verkeerssituaties. Tijdens het rijden schakelt de leerling een aantal keren mis. Hoe kun je didactisch gezien het beste handelen?
A
Je zegt: "een foutje kan gemaakt worden."
B
Je vraagt of de leerling alle handelingen wil vertellen van op- en terug schakelen.
C
De volgende les ga je met de leerling op- en terugschakelen oefenen.

Slide 46 - Quiz

Je rijdt met je leerling in een drukke winkelstaat om een andere leerling op te halen. je leerling stopt net voor de V.O.P. De leerling had dus de V.O.P. niet geblokkeerd. Wat ga je tegen je leerling zeggen?
A
Je vraagt: "Waarom stop je hier en daarna complimenteren."
B
Je laat merken dat hij het goed heeft opgelost en je gaat hem complimenteren.
C
Je zegt dat hij door had moeten rijden.

Slide 47 - Quiz

Nadat uw leerling voor de eerste keer samen met u eenvoudige kruispunten heeft overgestoken, wilt u commentaar geven. Op welke wijze kunt u dit bij de meeste leerlingen het beste doen?
A
U vertelt kort en bondig wat goed en wat minder goed ging.
B
U vraagt wat er fout ging.
C
U laat de leerling vertellen wat hij er zelf van vond.

Slide 48 - Quiz

Een leerling zit aan het eind van de fase EVS. Leerling slaat linksaf en komt te ver naar buiten uit. Wat is dan een goede eerste vraag van de instructeur?
A
Ging dat wel helemaal goed?
B
Stuurde je nu net bij die bocht te weinig in?
C
Ja kwam niet goed uit, klopt dat?

Slide 49 - Quiz

De leerling heeft weer zijn huiswerkopdracht niet gemaakt. Waaruit laat je blijken dat het wel moet?
A
Door hen gerichte vragen over die leerstof te stellen.
B
Door niet verder te gaan met het volgende instructie onderdeel.
C
Je zegt niets en begint aan de les.

Slide 50 - Quiz

Een rijinstructeur bespreekt uitgebreid een fout die een leerling net heeft gemaakt. De leerling nadert op dat moment een kruispunt. Wat is het meest waarschijnlijke gevolg?
A
De leerling raakt snel in de verwarring.
B
De leerling weet niet wat hij fout heeft gedaan.
C
De leerling zal waarschijnlijk op dat kruispunt weer een fout maken.

Slide 51 - Quiz

Een leerling rijdt in een fase van CVS. Hij maakt een foutje met het schakelen. Wanneer reageert u hier op?
A
Meteen na de fout, zodat de leerling het zich nog herinnert .
B
Aan het einde van de les, om de leerling op dat moment niet te veel af te leiden.
C
Nadat u eerst de leerling de kans hebt gegeven zijn fout te herstellen.

Slide 52 - Quiz

Je hebt een leerling die snel op zijn teentjes getrapt is. De leerling is over de helft van zijn opleiding. Hij krijgt telkens berichten op zijn telefoon? Hoe ga je hier op reageren?
A
Je stopt aan de kant en vraagt om zijn telefoon uit te zetten.
B
Je verwijst naar de gemaakte afspraken.
C
Tijdens het rijden zeg je de telefoon uitzetten .

Slide 53 - Quiz

Leerling rijdt in een eenvoudige verkeerssituaties foutloos, maar als het druk is maakt hij veel fouten. Wat zal de reden hiervan zijn?
A
LL raakt mentaal overladen.
B
Motorisch niet sterk.
C
Affectief niet goed ontwikkeld.

Slide 54 - Quiz

Een leerling heeft de eerste paar lessen de oefeningen goed uitgevoerd. Als hij deze oefeningen ergens anders moet uitvoeren gaat het verkeerd. De leerling was ook bang om dezelfde oefeningen op een andere locatie uit te voeren. Wat kan de oorzaak zijn?
A
De leerling heeft weinig zelfvertrouwen.
B
Leerling raakt mentaal overladen.
C
De leerling wil alles foutloos uitvoeren.

Slide 55 - Quiz

De volgende situatie doet zich voor: een autosnelweg met invoegstrook en het is er heel druk. Je rijdt met een vlotte leerling waarmee je complexe verkeerssituaties oefent. Wat voor invloed heeft dit op de leerling?
A
De leerling raakt gedemotiveerd.
B
Dit heeft geen invloed op de leerling.
C
Dit is te hoog gegrepen voor de leerling of te hoog voor zijn/haar niveau (dit kan leiden tot angst).

Slide 56 - Quiz

U gaat met een leerling invoegen oefenen, maar de leerling voegt te snel in tussen 2 auto's. Wat doet hij onjuist?
A
Ruimtekussen niet in acht genomen.
B
Snelheidsregeling is onjuist.
C
Veiligheidsmarge niet in acht genomen.

Slide 57 - Quiz

Na het afslaan naar rechts bent u gestopt om de uitgevoerde handelingen te bespreken. De leerling wil wegrijden, maar vergeet dat hij zijn richtingaanwijzer moet gebruiken. Hoe kunt u het beste reageren?
A
U vraagt aan de leerling wat hij vergeet.
B
U zegt meteen tegen de leerling dat hij zijn richtingaanwijzer moet gebruiken.
C
U laat de leerling wegrijden en bespreekt dan de fout.

Slide 58 - Quiz

Een gevorderde leerling rijdt bubeko, hij schakelt mis van 3 naar 5. Wat moet je doen?
A
Meteen ingrijpen.
B
Zelf laten oplossen.
C
Opnieuw schakelen oefenen.

Slide 59 - Quiz

U bent bezig met het aanleren van het keren op de rijbaan. U geeft de leerling deze opdracht. De leerling stopt te dicht bij een obstakel als hij met keren wil beginnen.
Hoe lost u dit op?
A
U vraagt aan de leerling of hij op de juiste locatie gaat keren.
B
U zegt niets en laat de leerling zijn gang gaan.
C
u laat de leerling keren en bespreekt vervolgens de fout

Slide 60 - Quiz