H62 - Lezen 1.3

Lezen 1.3
- Leesstrategiën
- Tekstverbanden
- Tekstdoelen
- Onderwerp en deelonderwerp
- Hoofdgedachte
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Lezen 1.3
- Leesstrategiën
- Tekstverbanden
- Tekstdoelen
- Onderwerp en deelonderwerp
- Hoofdgedachte

Slide 1 - Slide

Noem de 4 leesstrategiën.

Slide 2 - Open question

Leesstrategie
- verkennend lezen
(NN: oriënterend lezen)
- nauwkeurig lezen
(NN: precies lezen)
- zoekend lezen
- studerend lezen

Slide 3 - Slide

Verkennend lezen
Je wil een indruk van de tekst krijgen.
- lees titel, eerste en laatste alinea
- lees de eerste zin van alle alinea's van het middenstuk
- lees tussenkopjes en vetgedrukte woorden
- kijk naar plaatjes en de tekst eronder
- lees de bron onder de tekst
JE LEEST DUS NOG NIET DE HELE TEKST!

Slide 4 - Slide

Tekstverbanden 

Slide 5 - Slide


 Hoe noem je woorden die wijzen op een 
 verband tussen zinnen of alinea’s?
A
trefwoorden
B
synoniemen
C
signaalwoorden
D
uitdrukkingen

Slide 6 - Quiz


 Wat is een voorbeeld van een  
 tekstverband?
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorbeeld
D
oorzaak-gevolg

Slide 7 - Quiz


 Op welk tekstverband wijzen de   
 signaalwoorden maar, toch en echter?
A
opsomming
B
tegenstelling
C
reden
D
conclusie

Slide 8 - Quiz


 Om welk tekstverband gaat het hier?
 Ik kreeg een hapje en een drankje. 
A
reden
B
opsomming
C
oorzaak-gevolg
D
tegenstelling

Slide 9 - Quiz


 In welke zin wijzen de signaalwoorden  
 op een volgorde in tijd?
A
Ik wil langskomen. Ik heb echter geen tijd.
B
Eerst ga ik sporten, daarna kom ik langs.
C
Ik heb tijd om langs te komen en ook veel zin.
D
Ik kom langs, omdat ik daar veel zin in heb.

Slide 10 - Quiz

 Opdracht 1: lees de tekst en beantwoord daarna vragen

Slide 11 - Slide


 Welke twee signaalwoorden zitten er in zin 2?
A
ze - aan
B
aan - met
C
toen - haal
D
eerst - toen

Slide 12 - Quiz


  Om welk tekstverband gaat het in zin 2?
A
volgorde in tijd
B
opsomming
C
reden
D
conclusie

Slide 13 - Quiz

Opdracht
Maak nu H1.3 Lezen opdracht 5+6+7   (blz. 24 e.v.). 

Je maakt de opdrachten in je schrift, maar als er een schema in het boek staat, mag je dat in je boek invullen. Verwijs in je schrift dat naar het boek. 

Slide 14 - Slide

Nakijken
Kijk nu je gemaakte werk na en verbeter je fouten met rode pen. 

Noteer voor jezelf onder je opdrachten waar je nog moeite mee hebt. 

Slide 15 - Slide

TEKSTDOELEN

Slide 16 - Mind map

Tekstdoel, -soort en -vorm

Slide 17 - Slide

De schrijver wil je vermaken.
DOEL?
A
overtuigen
B
activeren/overhalen
C
informeren
D
amuseren

Slide 18 - Quiz

De schrijver wil dat je iets te weten komt.
DOEL?
A
informeren
B
overtuigen
C
overhalen/activeren
D
amuseren

Slide 19 - Quiz

De schrijver wil dat je iets wel of niet gaat doen.
DOEL?
A
activeren
B
amuseren
C
informeren
D
overtuigen

Slide 20 - Quiz


Slide 21 - Open question


Slide 22 - Open question


Slide 23 - Open question

Opdracht
Maak nu H1.3 Lezen opdracht 8   (blz. 25). 


Slide 24 - Slide

Hoofdgedachte
Belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt.
- ALTIJD 1 ZIN! 
- Je vindt de hoofdgedachte vaak in 
inleiding en/ of in het slot.

- Informatieve tekst: noem de feiten
- Betogende tekst: noem de mening en dan 
het belangrijkste argument. 

Slide 25 - Slide

Hoofdgedachte

Slide 26 - Slide

Waar vind je meestal de hoofdgedachte?

A
in de inleiding
B
in de kern
C
in het slot
D
in een combinatie van twee delen

Slide 27 - Quiz

Bij een informatieve tekst bestaat de hoofdgedachte uit feiten
A
Waar
B
Niet waar

Slide 28 - Quiz

Bij een betogende tekst is de hoofdgedachte een feit
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Opdracht
Maak nu H1.3 Lezen opdracht 10+11   (blz. 26 e.v.). 

Klaar?  Maak H1.3 Lezen opdracht 12+13+14 

Slide 30 - Slide

Opdracht
Maak nu de leestaak van Lezen 1.3 
Opdracht 16, 17 en 18 


Slide 31 - Slide