paragraaf 11.3 Groene chemie 5 H

Startopdracht
Opgave 14 paragraaf 11.2
timer
10:00
1 / 32
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Startopdracht
Opgave 14 paragraaf 11.2
timer
10:00

Slide 1 - Slide

Groene chemie

Slide 2 - Slide

Groene chemie komende lessen:

  • 12 principes (binas 97A)
  • Rendement
  • Atoomeconomie
  • E-factor

Slide 3 - Slide

12 Principes van de groene chemie
  • De industrie moet zoveel mogelijk rekening houden met mens en milieu.
  • Hierbij wordt gebruik gemaakt van 12 principes van de groene chemie.
  • Binas 97A

Slide 4 - Slide

Noteer: Groene chemie
  • De chemische industrie let op duurzaamheid bij productie.
  • Binas Tabel 97A: twaalf uitgangspunten voor groene chemie:
  • Samengevat dat processen:
  1. Veiliger zijn
  2. Minder grondstoffen en energie gebruiken
  3. Zoveel mogelijk gebruik maken van duurzame grondstoffen
  4. Minder vervuiling geven

Slide 5 - Slide

Gebruik de principes van de groene chemie.
Geef aan bij welk(e) principe(s) de volgende stelling hoort:

Het gebruiken van het afval van suikerriet
om een kunststof te maken.
Binas 97F
A
1 (vorming afval vermijden)
B
5 (veiliger oplosmiddelen)
C
3 (minder schadelijke productiemethoden)
D
7 (gebruik hernieuwbare grondstoffen)

Slide 6 - Quiz

Geef aan bij welk(e) principe(s)
de volgende stelling hoort:

Fabriek A levert verwarmd water aan fabriek B, die het gebruikt voor het verwarmen van zijn uitgangsstoffen.
Binas 97F
A
8 (reacties in weinig stappen)
B
6 (energie-efficiënt ontwerpen)
C
4 (minder schadelijke stoffen ontwerpen)
D
7 (gebruik van hernieuwbare grondstoffen)

Slide 7 - Quiz

Geef aan bij welk(e) principe(s)
de volgende stelling hoort:
Het ontwerpen van plastic tassen die afbreekbaar zijn in het milieu.
Binas 97F
A
6: energie efficiënt ontwerpen
B
10: ontwerpen met oog op afbraak
C
11: tussentijdse analyse tbv voorkomen milieuverontreiniging
D
4: ontwikkelen van minder schadelijke chemische stoffen

Slide 8 - Quiz

Rekenen bij groene chemie (97 F + 37H)







12 principes van groene chemie 

Slide 9 - Slide

Atoomeconomie (theoretisch, op basis van RV)
Een optimale atoomeconomie houdt in dat het eindproduct zoveel mogelijk atomen van de in het proces gebruikte beginstoffen bevat. 
-> berekenen op basis van molecuulmassa's (niet vergeten: molverhouding!)

                                                                                                                                  
Atoomeconomie=massa beginstoffenmassa gewenst product

Slide 10 - Slide

Rekenvoorbeeld atoomeconomie
Methanol en ethaanzuur reageren in zuur milieu tot methylethanoaat en water. Zie RV. Bereken de atoomeconomie voor de productie van methylethanoaat.

Slide 11 - Slide

Noteer: Massa beginstoffen: 32,04 + 60,06 = 92,10
Massa gewenste product: 74,08

Atoomeconomie= 
Massa gewenste product / massa beginstoffen * 100%=
(74,08 / 92,10) * 100 = 80,43%

Slide 12 - Slide

Wat is juist over de atoomeconomie van ijzer(III)chloride in de volgende reactie (max. 30 seconden ):
2Fe+3Cl22FeCl3
timer
0:30
A
28,6
B
40,0
C
100
D
ik heb een vraag hierover

Slide 13 - Quiz

Wat is juist over de atoomeconomie voor de productie van alcohol in de volgende reactie:
C6H12O62C2H5OH+2CO2
timer
0:30
A
groter dan 100
B
gelijk aan 100
C
kleiner dan 100

Slide 14 - Quiz

Bereken de atoomeconomie van de reactie waarbij 2-broombenzeen-1-ol
(= molecuul met ringstructuur rechts)
het gewenste reactieproduct is.
timer
2:00

Slide 15 - Open question

Aan de slag
opgave 18 (behalve c), 19 (behalve c) en 20 (behalve d)
En 10 en 12  (als je deze nog niet afhebt)

Slide 16 - Slide

Herhaling rendement
Bij de productie van 1,2-dichloorethaan uit 1,0 ton etheen, waterstofchloride en zuurstof ontstaat 1,5 ton 1,2-dichloorethaan. 

2 C2H4 + 4 HCl + O2 -> 2 C2H4Cl2 + 2 H2O

Bereken het rendement.
timer
5:00

Slide 17 - Slide

Antwoord
2 C2H4 + 4 HCl + O2 -> 2 C2H4Cl2 + 2 H2O
1,0 ton etheen = 1,0*106 g etheen
1,0*106 / 28,05 g/mol = 3,6*104 mol etheen
Molverhouding 1:1 dus max 3,6*104 mol 1,2-dichloorethaan.
3,6*104 x 98,95 g/mol = 3,5*106 g = 3,5 ton 1,2-dichloorethaan.
𝑅𝑒𝑛𝑑𝑒𝑚𝑒𝑛𝑡 𝜂=(werkelijke 𝑜𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡)/(𝑡ℎ𝑒𝑜𝑟𝑒𝑡𝑖𝑠𝑐ℎ𝑒 𝑜𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡)∙100%
Rendement = 1,5 / 3,5 * 100 = 43 %

Slide 18 - Slide

Herhaling oefenen atoomeconomie
Bij de productie van 1,2-dichloorethaan uit 1,0 ton etheen, waterstofchloride en zuurstof ontstaat 1,5 ton 1,2-dichloorethaan. 

2 C2H4 + 4 HCl + O2 -> 2 C2H4Cl2 + 2 H2O

Bereken de atoomeconomie.
timer
5:00

Slide 19 - Slide

Antwoord
2 C2H4 + 4 HCl + O2 -> 2 C2H4Cl2 + 2 H2O

Massa gewenst product = 2*98,95 = 179,9 g
Massa beginstoffen = 2*28,05 +4*36,458 + 32,00 = 233,9 g
𝐴𝑡𝑜𝑜𝑚𝑒𝑐𝑜𝑛𝑜𝑚𝑖𝑒=(𝑚𝑎𝑠𝑠𝑎 𝑔𝑒𝑤𝑒𝑛𝑠𝑡 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡)/(𝑚𝑎𝑠𝑠𝑎 𝑏𝑒𝑔𝑖𝑛𝑠𝑡𝑜𝑓𝑓𝑒𝑛)∙100%
Atoomeconomie = 179,9 / 233,9 * 100 = 85 %

Slide 20 - Slide

Wat is de atoomeconomie van de reactie:

CO+2H2CH3OH
A
33 %
B
66 %
C
50 %
D
100 %

Slide 21 - Quiz


Bereken de atoomeconomie voor de vorming van calciumoxide uit calciumcarbonaat. De bijbehorende reactievergelijking is: CaCO3 --> CaO   +  CO2
timer
3:00

Slide 22 - Open question

E-factor
E-factor, Environmental factor, is het aantal kg afval per kg product. 
-> berekenen op basis van RV en  bij massa gewenst product rekening houden met rendement!  (T37H: m werkelijke opbrengst product)


Efactor=m gewenst productm beginstoffenm gewenst product=
m productm afval

Slide 23 - Slide

E-factor rekenvoorbeeld
Bereken de E-factor van de volgende reactie, waarbij natrium het gewenste product is en het rendement 80 % is: 
 

Massa beginstoffen = 2 x 58,443 = 116,886 g
Massa gewenste product = 2 x 22,990 x 0,8 (80% rendement) = 36,784 g

(116,886 - 36,784) / 36,784 = 2,2 (kg afval per kg product)


2NaCl>2Na+Cl2

Slide 24 - Slide

Oefenen E-factor
Gegeven is de volgende reactie om maleïnezuuranhydride (C4H2O3) te maken:

C4H8 + 3 O2 -> 3 H2O + C4H2O3
Het rendement van deze reactie is 56%.

Bereken de E-factor.
timer
5:00

Slide 25 - Slide

Antwoord
C4H8 + 3 O2 -> 3 H2O + C4H2O3
Het rendement van deze reactie is 56%.
Massa beginstoffen =  56,104 + 3*32,00 = 152,104 g
Massa gewenst product theoretisch = 98,056 g
Massa gewenst product in praktijk = 0,56 * 98,056 = 54,91 g
𝐸−𝑓𝑎𝑐𝑡𝑜𝑟 = (𝑚𝑎𝑠𝑠𝑎 𝑏𝑒𝑔𝑖𝑛𝑠𝑡𝑜𝑓𝑓𝑒𝑛 - 𝑚𝑎𝑠𝑠𝑎 opbre𝑛𝑔𝑠𝑡 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡) / (𝑚𝑎𝑠𝑠𝑎 𝑜𝑝𝑏𝑟𝑒𝑛𝑔𝑠𝑡 𝑝𝑟𝑜𝑑𝑢𝑐𝑡 )
E-factor = (152,104 - 54,91) / 54,91 = 1,77


Slide 26 - Slide

Iemand vertelt je dat de E-factor van een bepaald productieproces 0,5 is. Wat betekent dit?
A
per 0,5 kg product ontstaat 1 kg afval
B
per 0,5 kg product ontstaat 0,5 kg afval
C
per kg product onstaat 0,5 kg afval
D
per kg product ontstaat 1 kg afval

Slide 27 - Quiz

Aan de slag
18c, 19 c en 20 d

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

0

Slide 31 - Video

Aan de slag
21 t/m 23

Slide 32 - Slide