Les 4 juni

Vandaag
Opwarmer
werkwoorden
oefenen met de woorden
zinsdelen benoemen
Spelling

1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsEnseignement Secondaire

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min

Items in this lesson

Vandaag
Opwarmer
werkwoorden
oefenen met de woorden
zinsdelen benoemen
Spelling

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Vandaag
bewonderaar

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2616035-deze-voetballers-gaan-voor-nederland-naar-het-wk

https://stories.nos.nl/video/2616598-laatste-publieke-training-oranje-voor-wk-voetbal

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Werkwoorden
werkwoordvandeweek.nl

Ik kan de werkwoorden vervoegen, alle tijden door elkaar

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Woorden
Doel:
25 "nieuwe" woorden kunnen gebruiken en tegenstellingen met voor en achtervoegsels

Woordtrainer
 

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Voorvoegsel 

Bijvoorbeeld:

her (= voorvoegsel) + gebruiken = hergebruiken

mis + dragen = misdragen

non + fictie = non-fictie

ex + vriend = ex-vriend

on + zeker = onzeker

Een (grond)woord met een voorvoegsel noemen we een afleiding.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Voorvoegsels 
Een voorvoegsel heeft soms wel een betekenis: 
on- = niet; her- = opnieuw

Door te kijken naar een voorvoegsel kun je de betekenis van een woord beter achterhalen.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Achtervoegsel 
Er zijn veel woorden die eindigen op -heid, -lijk, -ing, -ig, -er, -erd, -aar, -aard, -baar, -rik of -isch

Deze korte stukjes zijn achtervoegsels,
je schrijft ze altijd op dezelfde manier.

Slide 8 - Slide

achtervoegsels zet je altijd achter een woord, zoals het woord zelf al aangeeft: achtervoegsels. Het gaat dus om het laatste deel van een woord.

Achtervoegsel 
Een achtervoegsel is een vast stukje aan het eind van een grondwoord. Het kan niet op zichzelf voorkomen.
 
Sommige hebben een eigen betekenis.
--> Vervangbaar, blijheid, kinderlijk
-baar: zegt wat je ermee kunt doen.
-heid: zegt iets over hoe iemand of iets is.
-lijk: zegt wat van of voor iemand of iets is.


Slide 9 - Slide

achtervoegsels zet je altijd achter een woord, zoals het woord zelf al aangeeft: achtervoegsels. Het gaat dus om het laatste deel van een woord.

Voorbeelden van achtervoegsels:
-loos :geluidloos, achteloos
-ig : prachtig, doorzichtig
-achtig : zoethoutachtig, geelachtig
-schap : vriendschap, draagmoederschap
-heid : schoonheid, traagheid
-lijk : koninklijk, hoofdzakelijk

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Wat is een tegenstelling?
geef ook een voorbeeld

Slide 11 - Open question

This item has no instructions

Wat is een voorvoegsel?
Schrijf ook een woord met een voorvoegsel op

Slide 12 - Open question

This item has no instructions

Welk woord heeft een voorvoegsel?
A
geklets
B
gezwam
C
oeverloos
D
misverstand

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord heeft een voorvoegsel?
A
soepgroente
B
minibus
C
pizzabroodje
D
vloertegel

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord heeft een voorvoegsel?
A
extra
B
hoekschop
C
zwartrijder
D
interland

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Wat is dan een achtervoegsel?
Geef ook een voorbeeld

Slide 16 - Open question

This item has no instructions

Veel voorkomende achtervoegsels zijn:
-aar, -lijk, -heid, -teit, -baar, -atie, -aard, -isch, -ing, -ig, -sel, -loos, -vol, -lijks

                          Dat gaan we even oefenen

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -aar zetten?
A
brand
B
bewonder
C
dank
D
besmet

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -lijk zetten?
A
eer
B
brand
C
dank
D
liefde

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -heid zetten?
A
verminder
B
bak
C
werk
D
werkelijk

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -baar zetten?
A
aai
B
begrip
C
lui
D
werkelijk

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -aard zetten?
A
klap
B
bak
C
lui
D
dier

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Welk woord kan je voor -vol zetten?
A
minder
B
meer
C
overblijf
D
begrip

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Zinsdelen
Doel: 
het naamwoordelijk gezegde in een zin vinden
(maar ook de andere zinsdelen kunnen benoemen)

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Zinsdelen
https://www.taal-oefenen.nl/instruction/taal/zinsontleding/zinsdelen-benoemen/wat-is-het-naamwoordelijk-gezegde-nwg

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Spelling
Doel: 
persoonsvorm vt zwakke werkwoorden
meervoud zelfstandige naamwoorden

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Les 4 juni

Slide 27 - Slide

This item has no instructions