Jong & Oud (6e) H2. De jeugd

Week 36 (vanaf 31 augustus 2026)
Hoofdstuk 2. De jeugd
  • dagopening (Sophie Straat herhaalt "witte mannen naar achteren")
  • terugblik vorige les (gevangenendilemma)
  • filmpje (Golden Balls)
  • bespreken opdracht 1.4 (klassikaal)
  • leerdoelen
  • instructie (sparen en lenen)
  • weektaak: opdracht 2.1 t/m 2.8 en 2.9 t/m 2.11
1 / 50
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Week 36 (vanaf 31 augustus 2026)
Hoofdstuk 2. De jeugd
  • dagopening (Sophie Straat herhaalt "witte mannen naar achteren")
  • terugblik vorige les (gevangenendilemma)
  • filmpje (Golden Balls)
  • bespreken opdracht 1.4 (klassikaal)
  • leerdoelen
  • instructie (sparen en lenen)
  • weektaak: opdracht 2.1 t/m 2.8 en 2.9 t/m 2.11

Slide 1 - Slide

Dagopening
Sophie Straat herhaalt "witte mannen naar achteren"








Vraag
Wat is jouw eerste reactie bij de uitspraak van Sophie Straat "witte mannen naar achteren"?

Slide 2 - Slide

Opdracht 1.12 en formatieve toets
a. Leg uit dat beide spelers een prikkel hebben een strategie te kiezen die ten koste gaat van de ander.
  • als Nasira bekent zal Gemma ook bekennen want 4 > 1, waardoor Nasira een 4 krijgt (geen 9)
  • als Nasira ontkent zal Gemma bekennen want 9 > 8, waardoor Nasira een 1 krijgt (geen 8)
  • als Gemma bekent zal Nasira ook bekennen 4 > 1, waardoor Gemma een 4 krijgt (geen 9)
  • als Gemma ontkent zal Nasira bekennen want 9 > 8, waardoor Nasira een 1 krijgt (geen 8)
b. Welke uitkomst zat er tot stand komen?
  • bij beiden is bekennen de dominante strategie
  • beiden zullen dus bekennen, waardoor ze beiden een 4 krijgen
c. Zal een bindende afspraak leiden tot een ander evenwicht?
  • ja, als de afspraak is beiden ontkennen, waardoor ze beiden een 8 krijgen

Slide 3 - Slide

Terugblik (gevangenendilemma)
Kijkvragen Filmpje Golden Balls:
  1. Stel in 2-tallen de Pay-off Matrix (resultatenmatrix) van het spel op.
  2. Bepaal samen de Dominante Strategie voor beide deelnemers.
  3. Wat wordt de uitkomst zonder samenwerken?
  4. Wat wordt de uitkomst met samenwerken (Bindende Afspraak)?
  5. Is er sprake van een Gevangenendilemma?

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Uitwerking Golden Balls
  1. Pay-off Matrix volgens onderstaande tabel.
  2. Dominante Strategie is voor beiden Steal want ... 4x ...
  3. Zonder samenwerken kiezen beiden op basis van hun dominante strategie voor Steal = £ 0 / £ 0.
  4. Met samenwerken kiezen beiden voor Split = £ 6.800 / £ 6.800 (Bindende Afspraak).
  5. Er is sprake van een gevangenendilemma want £ 6.800 / £ 6.800 is voor beiden beter dan £ 0 / £ 0.

Abraham
Split
Steal
Nick
Split
£ 6.800 / £ 6.800
£ 0 / £ 13.600
Steal
£ 13.600 / £ 0
£ 0 / £ 0

Slide 6 - Slide

Opdracht 1.4 (pagina 8)
a. Beschrijf de afweging die Sofie zal maken als ze denkt dat Tara niet opruimt.
  • Opruimen kost Sofie 70 minuten en niet opruimen 60 minuten.
b. Beschrijf de afweging die Sofie zal maken als ze denkt dat Tara wel opruimt.
  • Opruimen kost Sofie 30 minuten en niet opruimen 10 minuten.
c. Welke strategie is voor Sofie de Dominante Strategie?, en waarom?
  • Niet opruimen, want 10 < 30 en 60 < 70!
d. Welke strategie is voor Tara de Dominante Strategie?, en waarom?
  • Niet opruimen, want 10 < 30 en 60 < 70!
e. Is er sprake van een Gevangenendilemma?, en waarom?
  • Ja, want o.b.v. de dominante strategieën komen zij uit 60;60 terwijl 30:30 voor beiden een betere optie is.

Slide 7 - Slide

Leerdoelen H2. De jeugd
  • Ik kan de begrippen op pagina 15 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan verklaren dat rente de prijs is voor het uitstellen van consumptie.
  • Ik kan uitleggen waarom sparen en lenen voorbeelden zijn van ruilen over de tijd.
  • Ik kan uitleggen wat hoge en lage tijdvoorkeur betekenen voor spaar- en leengedrag.
  • Ik kan uitleggen hoe de rentestand het spaar- en leengedrag beïnvloedt
  • Ik kan de afweging maken tussen consumeren, lenen en sparen en dit verklaren.
  • Ik kan onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.

Slide 8 - Slide

Jongeren en geld
  • Zakgeld?
  • Kleedgeld?
  • Baantjes?

Geld = keuzes maken!
Uitgeven (consumeren) of sparen?

Het bedrag dat je niet consumeert, spaar je.


Slide 9 - Slide

Sparen en lenen
Ruilen over tijd:
  • Sparen = uitstellen van Consumptie naar de toekomst.
  • Lenen = vervroegen van consumptie.


Geld lenen kost geld : Rente betalen!,
en de schuld moet je ook weer aflossen.

Rente op je spaarrekening = beloning voor het uitstellen van consumptie.

Slide 10 - Slide

Sparen
  • Sparen kan gezien worden als het uitstellen van consumptie.
  • Je schuift een deel van je inkomen naar de toekomst, dit noemen we ruilen over tijd.
  • Dat heeft tot gevolg dat je nú minder kunt kopen. 
  • Later kun je dankzij het spaarbedrag en de renteopbrengsten extra veel kopen mits de inflatie niet te hoog is.

Slide 11 - Slide

Lenen
  • Door te lenen kan iemand een deel van zijn toekomstige inkomen naar voren halen.
  • Dat geeft de mogelijkheid om nú extra te consumeren, dit noemen we ruilen over tijd.
  • In de toekomst zal het bedrag echter met rente moeten worden terugbetaald. Je kunt dan dus minder kopen.
  • Voor hele grote uitgaven, zoals de aanschaf van een huis, is lenen vaak de enige manier om het te kunnen aanschaffen.

Slide 12 - Slide

Sparen en lenen
1. Waarom ruil je over tijd als je spaart of leent?
  • je stelt consumptie uit bij sparen
  • of je vervroegt consumptie bij lenen
2. Wat is de prijs van sparen?, en wat levert het op?
  • prijs: uitstellen consumptie en inflatie
  • sparen levert rente op
3. Wat is de prijs van lenen?, en wat levert het op?
  • prijs: rente betalen
  • lenen levert vervroegde consumptie op

Slide 13 - Slide

Stroom- en voorraadgrootheid
Een grootheid is iets wat je kunt meten.
  • Stroomgrootheid: meet je over een bepaalde periode
       voorbeelden: “Mijn inkomen is 2.000 euro per maand.”
                                    "Er stroomt 6 liter water per minuut uit de kraan."
  • Voorraadgrootheid: meet je op een bepaald moment 
       voorbeelden: "Ik heb 5.000 euro spaargeld.”
                                    "Er zit 100 liter water in de badkuip."

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Les en weektaak
  • wat: opdracht 2.9 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.1 t/m 2.11

Slide 16 - Slide

Week 36 (vanaf 31 augustus 2026)
Hoofdstuk 2. De jeugd
  • formatieve toets hoofdstuk 1 klassikaal behandelen
  • terugblik vorige les (sparen en lenen)
  • opdracht 2.9 klassikaal behandelen
  • filmpje (studieschuld)
  • leerdoelen
  • quiz (sparen en lenen)
  • weektaak: opdracht 2.1 t/m 2.11

Slide 17 - Slide

Terugblik (sparen)
  • Sparen kan gezien worden als het uitstellen van consumptie.
  • Je schuift een deel van je inkomen naar de toekomst, dit noemen we ruilen over tijd.
  • Dat heeft tot gevolg dat je nú minder kunt kopen. 
  • Later kun je dankzij het spaarbedrag en de renteopbrengsten extra veel kopen mits de inflatie niet te hoog is.

Slide 18 - Slide

Terugblik (lenen)
  • Door te lenen kan iemand een deel van zijn toekomstige inkomen naar voren halen.
  • Dat geeft de mogelijkheid om nú extra te consumeren, dit noemen we ruilen over tijd.
  • In de toekomst zal het bedrag echter met rente moeten worden terugbetaald. Je kunt dan dus minder kopen.
  • Voor hele grote uitgaven, zoals de aanschaf van een huis, is lenen vaak de enige manier om het te kunnen aanschaffen.

Slide 19 - Slide

Terugblik (stroom- & voorraadgrootheid)
Een grootheid is iets wat je kunt meten.
  • Stroomgrootheid: meet je over een bepaalde periode
       voorbeelden: “Mijn inkomen is 2.000 euro per maand.”
                                    "Er stroomt 6 liter water per minuut uit de kraan."
  • Voorraadgrootheid: meet je op een bepaald moment 
       voorbeelden: "Ik heb 5.000 euro spaargeld.”
                                    "Er zit 100 liter water in de badkuip."

Slide 20 - Slide

Opdracht 2.9 (pagina 13)
a. Hoeveel komt Tara per maand tekort?
  • tekort = uitgaven - inkomsten
  • tekort = € 1.373 - € 1.133 = € 240
b. Noem 2 uitgaven die Tara zou kunnen verlagen.
  • op korte termijn kan ze bezuinigen op haar boodschappen, kleding en ontspanning
  • op langere termijn kan ze zoeken naar een goedkopere kamer, zorgverzekering en telefoonabonnement
c. Noem een manier waarop zij haar inkomsten kan verhogen.
  • ze kan proberen om meer te werken en dus meer te verdienen
timer
5:00

Slide 21 - Slide

Opdracht 2.9 (pagina 13)
d. Bereken het bedrag aan rente dat Tara gaat betalen.
  • Tara leent 48 x € 240 = € 11.520
  • ze betaalt € 18.276 terug
  • ze betaalt dus aan rente € 18.276 = € 11.520 = € 6.756
e. Wat gebeurt er met het rentebedrag als zij sneller aflost
  • dan wordt de uitstaande schuld eerder kleiner en wordt het totale rentebedrag lager

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

Leerdoelen H2. De jeugd
  • Ik kan de begrippen op pagina 15 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan verklaren dat rente de prijs is voor het uitstellen van consumptie.
  • Ik kan uitleggen waarom sparen en lenen voorbeelden zijn van ruilen over de tijd.
  • Ik kan uitleggen wat hoge en lage tijdvoorkeur betekenen voor spaar- en leengedrag.
  • Ik kan uitleggen hoe de rentestand het spaar- en leengedrag beïnvloedt
  • Ik kan de afweging maken tussen consumeren, lenen en sparen en dit verklaren.
  • Ik kan onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.

Slide 24 - Slide

Wat heeft een hogere tijdvoorkeur?
A
nu € 1.000
B
over 5 jaar € 1.500

Slide 25 - Quiz

Inflatieverwachting leidt tot uitstel van aankopen.
A
juist
B
onjuist

Slide 26 - Quiz

Rentestijging leidt tot uitstel van aankopen.
A
juist
B
onjuist

Slide 27 - Quiz

Bij consumptie is altijd sprake van ruilen over tijd.
A
juist
B
onjuist

Slide 28 - Quiz

Als de rente stijgt, wordt er meer geleend.
A
juist
B
onjuist

Slide 29 - Quiz

Als de rente stijgt, wordt er meer gespaard.
A
juist
B
onjuist

Slide 30 - Quiz

23. Twee beweringen over sparen en lenen.
I. Alleen lenen is een voorbeeld van ruilen over de tijd.
II. Hogere rente bevordert sparen en lenen.

Welke bewering(en) is/zijn juist?
A
Beide zijn goed
B
I. is goed en II. is fout
C
I. is fout en II. is goed
D
Beide zijn fout

Slide 31 - Quiz

24. Twee beweringen over sparen en lenen.
I. Een lagere rente bevordert het sparen.
II. Een hogere (verwachte) prijsstijging stimuleert lenen.

Welke bewering(en) is/zijn juist?

A
Beide zijn goed
B
I. is goed en II. is fout
C
I. is fout en II. is goed
D
Beide zijn fout

Slide 32 - Quiz

25. Twee beweringen over sparen en vermogen.
I. Als je spaart stijgt je vermogen.
II. Rente over je vermogen leidt altijd tot een groter reëel vermogen (reëel = wat je er voor kunt kopen).
Welke bewering(en) is/zijn juist?
A
Beide zijn goed
B
I. is goed en II. is fout
C
I. is fout en II. is goed
D
Beide zijn fout

Slide 33 - Quiz

28. Twee beweringen.
I. De omzet is een voorraadgrootheid.
II. Inkomen is een stroomgrootheid.

Welke bewering(en) is/zijn juist?
A
Beide zijn goed
B
I. is goed en II. is fout
C
I. is fout en II. is goed
D
Beide zijn fout

Slide 34 - Quiz

Wat is spaarrente?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 35 - Quiz

Wat is leenrente?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 36 - Quiz

Wat is hypotheekschuld?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 37 - Quiz

Wat is uitgaven aan eten?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 38 - Quiz

Wat is vermogen?
A
stroomgrootheid
B
voorraadgrootheid

Slide 39 - Quiz

Slide 40 - Slide

Les en weektaak
  • wat: opdracht 2.12 en 2.13 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.1 t/m 2.11

Slide 41 - Slide

Week 36 (vanaf 31 augustus 2026)
Hoofdstuk 2. De jeugd
  • leerdoelen (hoofdstuk 2. De jeugd)
  • filmpje (spaargeld)
  • weektaak: opdracht 2.1 t/m 2.11
  • filmpje (Arjen Lubach, belasting op vermogen)
  • online formatieve toets hoofdstuk 2. De jeugd

Slide 42 - Slide

Leerdoelen H2. De jeugd
  • Ik kan de begrippen op pagina 15 omschrijven (zie ook LWEO). 
  • Ik kan verklaren dat rente de prijs is voor het uitstellen van consumptie.
  • Ik kan uitleggen waarom sparen en lenen voorbeelden zijn van ruilen over de tijd.
  • Ik kan uitleggen wat hoge en lage tijdvoorkeur betekenen voor spaar- en leengedrag.
  • Ik kan uitleggen hoe de rentestand het spaar- en leengedrag beïnvloedt
  • Ik kan de afweging maken tussen consumeren, lenen en sparen en dit verklaren.
  • Ik kan onderscheid maken tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden.

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Video

Les en weektaak
  • wat: opdracht 2.12 en 2.13 in de les
  • hoe: fluisterend overleg met buurman / buurvrouw mag
  • hulp: buurman / buurvrouw of steek je vinger op
  • tijd: tot 1 minuut voor einde les
  • uitkomst: zo ver mogelijk
  • klaar: ga verder met je weektaak opdracht 2.1 t/m 2.11

Slide 45 - Slide

Belastingboxen (3)
De InkomstenBelasting (IB) in Nederland bestaat uit 3 boxen:

Slide 46 - Slide

Filmpje
Kijkvragen (Belasting op vermogen omhoog?):

1. Uit welke partijen bestaat de huidige coalitie?
2. Welke partij is vooral tegen de belasting op vermogen?, en waarom?
3. Hoe verklaart Lubach dat de belasting op vermogen negatief is?
4. Waar vind jij waar de hoogste belastingdruk moet liggen?, op werken, kopen of vermogen?

Slide 47 - Slide

Slide 48 - Video

Filmpje
Kijkvragen (Belasting op vermogen omhoog?):

1. Uit welke partijen bestaat de huidige coalitie?
  • D66 (26 zetels), VVD (22 zetels) en CDA (18 zetels), zij hebben dus maar 66 van de 150 zetels
2. Welke partij is vooral tegen de belasting op vermogen?, en waarom?
  • VVD, met de minister van Financiën Eelco Heinen, omdat veel VVD-kiezers vermogend zijn
3. Hoe verklaart Lubach dat de belasting op vermogen negatief is?
  • de vermogensbelasting in box 3 is wel positief, maar ander vermogen wordt gesubsidieerd, zoals het bezit van een eigen huis met de hypotheekrenteaftrek 
4. Waar vind jij waar de hoogste belastingdruk moet liggen?, op werken, kopen of vermogen?

Slide 49 - Slide

Waar vind jij waar de hoogste belastingdruk in Nederland moet liggen?
op werken
op kopen (btw)
op vermogen

Slide 50 - Poll