week 2 november 1e les

Montag

2. November

1 / 21
next
Slide 1: Slide
New lesson editorDuitsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Montag

2. November

Das Programm

Plaudern, Seite 54

Ziel dieser Unterrichtsstunde

Hausaufgaben kontrollieren

Aufgabe machen

Aufgabe A oder B

Plauderstunde

Das Lernziel

Am Ende dieser Unterrichtsstunde könnt ihr ein Satz bilden von mindenstens 5 Wörter über Freizeit.






Hausaufgaben kontrollieren

Seite 56, Aufgabe 4

Je onderstreept in de Duitse zinnen de woorden die je kent, bijvoorbeeld links en rechts.

In welke zin vind je deze woorden in de Nederlandse zin?

Gevonden? Zet de letter in het vakje van de zin ( 1 tm 6)

Aufgaben machen

Seite 57, Aufgabe 6

Seite 58, Aufgabe 9

Lees eerst waar de opdracht over gaat. Vertaal dit voor jezelf.


Zeit: 5 Minuten

Wir kontrollieren gemeinsam die Aufgabe

10

minute

00

second

Sticker?

Seite 59-60

Aufgabe A: Schrijf het goede antwoord in het Nederlands bij de cijfers.


Aufgabe B: Schrijf het getal van de 5 opdrachten die Klaus niet gedaan heeft bij het goede plaatje.

Das Lernziel

Am Ende dieser Unterrichtsstunde könnt ihr ein Satz bilden von mindenstens 5 Wörter über Freizeit.






Frageworte

Schrijf de vraagwoorden die je  kent in het Duits op 

Zoek de juiste vraagwoorden bij elkaar!

hoe?

waar?

waarom?

wat?

wanneer

warum?

wie?

wo?

was?

wann

Het vraagwoord 'wat'

A

Wat

B

Wo

C

Wie

D

Was

Wann

A

waarvandaan

B

waar

C

wanneer

D

waarheen

wo

A

Wat

B

Waar

C

Hoe

D

Wie

Wat betekent het vraagwoord: "wie"

A

Wie

B

Hoe

C

Waar

D

Wat

Het vraagwoord 'hoe'

A

Wo

B

Wie

C

Wer

D

Wie spät

woher

A

waar ... vandaan

B

waar

C

wanneer

D

waarheen

welche

A

waar ... vandaan

B

waar

C

wanneer

D

welke

Welk vraagwoord? ________ spät is es?

A

Wie

B

Welche

C

Was

D

Warum

Stripverhaal

Stripverhaal

Jullie maken een stripverhaal van een aantal vraagwoorden.

Het moet echt een verhaal zijn. Je krijgt er een cijfer voor. (1x)

Plauderstunde

Je pakt een blad en zoekt een maatje.

Om de beurt lezen jullie een vraag en geeft de ander een antwoord.


Ik loop langs en luister naar de uitspraak.