NEGATIE

Niet in de zin

1 / 10
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 10 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Niet in de zin

Niet in de zin

Heb je 1 of 2 werkwoorden?


Ik studeer tot heel laat.

Mijn moeder kookt altijd.


De studenten gaan nu eten.

Sam wil straks vissen.

Niet in de zin

Heb je 1 of 2 werkwoorden?


Ik studeer niet tot heel laat.

Mijn moeder kookt niet altijd.


De studenten gaan nu niet eten.

Sam wil straks niet vissen.

Wat zie je?

Bij 1 werkwoord:

Ik studeer niet tot heel laat.

Mijn moeder kookt niet altijd.

Niet komt achter het werkwoord.


Bij 2 werkwoorden:

De studenten gaan nu niet eten.

Sam wil straks niet vissen.

Niet komt voor het 2e werkwoord.

Maak negatief: Maya werkt op Schiphol.

Maak negatief: Tom kan morgen voetballen.

Anders!

Niet komt later als je praat over een tijd of een object/persoon.


Peter kookt vandaag niet.

Simon slaapt morgen niet lang.

Linda eet de pizza niet alleen.

De buren bellen mij niet.

Maak negatief: De studenten komen deze week.

Maak negatief: Ruben ziet zijn telefoon.

Nog een keer!

1 werkwoord:

Ik studeer niet tot heel laat.


2 werkwoorden:

Sam wil straks niet vissen.


Met tijd of object:

Peter kookt vandaag niet.

De buren bellen mij niet.