Niet in de zin
Niet in de zin
Niet in de zin
Heb je 1 of 2 werkwoorden?
Ik studeer tot heel laat.
Mijn moeder kookt altijd.
De studenten gaan nu eten.
Sam wil straks vissen.
Niet in de zin
Heb je 1 of 2 werkwoorden?
Ik studeer niet tot heel laat.
Mijn moeder kookt niet altijd.
De studenten gaan nu niet eten.
Sam wil straks niet vissen.
Wat zie je?
Bij 1 werkwoord:
Ik studeer niet tot heel laat.
Mijn moeder kookt niet altijd.
Niet komt achter het werkwoord.
Bij 2 werkwoorden:
De studenten gaan nu niet eten.
Sam wil straks niet vissen.
Niet komt voor het 2e werkwoord.
Maak negatief: Maya werkt op Schiphol.
Maak negatief: Tom kan morgen voetballen.
Anders!
Niet komt later als je praat over een tijd of een object/persoon.
Peter kookt vandaag niet.
Simon slaapt morgen niet lang.
Linda eet de pizza niet alleen.
De buren bellen mij niet.
Maak negatief: De studenten komen deze week.
Maak negatief: Ruben ziet zijn telefoon.
Nog een keer!
1 werkwoord:
Ik studeer niet tot heel laat.
2 werkwoorden:
Sam wil straks niet vissen.
Met tijd of object:
Peter kookt vandaag niet.
De buren bellen mij niet.