Voornaamwoorden: de lastige gevallen

Voornaamwoorden - V3
Aanwijzend, vragend, onbepaald, betrekkelijk voornaamwoord 
De lastige gevallen: 
sommige woorden kunnen tot 
verschillende woordsoorten behoren. 

Grammatica Woordsoorten H3 p120
Zie ook p282
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Voornaamwoorden - V3
Aanwijzend, vragend, onbepaald, betrekkelijk voornaamwoord 
De lastige gevallen: 
sommige woorden kunnen tot 
verschillende woordsoorten behoren. 

Grammatica Woordsoorten H3 p120
Zie ook p282

Slide 1 - Slide

die en dat --> aanw. of betr. vnw
  • Die jongen ken ik niet   -   die = aanwijzend vnw.   
  • De jongen die daar loopt . . .   -  die = betrekkelijk vnw.

Twijfel je? Vervang die door deze, dan zie je meteen wat goed is!
Deze is nl. altijd aanw. vnw en nooit betrekkelijk vnw.
--> Deze jongen ken ik niet = aanw. vnw
--> De jongen deze daar loopt . . . = fout, dus betr. vnw. die

Slide 2 - Slide

Vervolg: die/dat --> aanw. of betr. vnw
  • Dat meisje ken ik niet   -   dat = aanwijzend vnw.   
  • Het meisje dat daar loopt . . .   -  dat = betrekkelijk vnw.

Twijfel je? Vervang dat door dit, dan zie je meteen wat goed is!
Dit is nl. altijd aanw. vnw en nooit betrekkelijk vnw.
--> Dit meisje ken ik niet = aanw. vnw
--> Het meisje dit daar loopt . . . = fout, dus betr. vnw. dat

Slide 3 - Slide

wie en wat --> betr. of vragend vnw.
  • Wijst wie of wat terug naar iets wat eerder is genoemd (het antecedent)? Dan is het een betr. vnw.  VOORBEELDEN:         - Dit is alles (antecedent) wat (betr. vnw.) ik erover kan                    vertellen.
      - Wie (degene die = betr. vnw. met ingesloten antecedent)                 mijn geheim verklapt, vind ik een echte loser.
      - De mensen (aan) wie (betr. vnw.) ik het vroeg, wisten niets.

Slide 4 - Slide

Vervolg wie en wat --> betr. of vragend vnw.
  • Staat wie of wat aan het begin* van een vraag? Dan is het een vragend vnw.                                                                                              (*wie of wat staat niet altijd aan het begin van de zin en er staat ook niet altijd een vraagteken achter de zin!)                          VOORBEELDEN:                                                                                              - Ik weet niet wat (vr. vnw.) jij wilde vragen.                                          - Marieke weet precies wie (vr. vnw.) dat heeft gezegd.

Slide 5 - Slide

 onbepaald voornaamwoord
--> duidt iemand of iets aan, maar zegt niet precies over wie of wat het gaat. DRIE LASTIGE GEVALLEN:
  • je = onb. vnw. als het men betekent: Tegenwoordig kun je (kan men) beter geen lifters meenemen.
  • het = onb. vnw als het iets betekent: Gaan jullie wat (iets) leuks doen in de vakantie?
  • het = onb. vnw als het tijd, weer of sfeer aangeeft:

Slide 6 - Slide

Vervolg onbepaald vnw.
VOORBEELDEN van het als onb.vnw. bij tijd, weer of sfeer:

  • Het is drie uur geweest, dus ik ga lekker naar huis.
  • Als het stormt, ga ik niet op de fiets naar school.
  • Vanwege de avondklok is het 's avonds binnen gezellig.

Slide 7 - Slide

Welke woordsoort is JE? Als politicus kan JE echt niet alles zeggen.
A
persoonlijk vnw.
B
bezittelijk vnw.
C
onbepaald vnw.
D
wederkerend vnw.

Slide 8 - Quiz

Welke woordsoort is WAT? Verzinnen jullie WAT leuks voor mijn verjaardag?
A
betrekkelijk vnw.
B
onbepaald vnw.
C
vragend vnw.
D
aanwijzend vnw.

Slide 9 - Quiz

Welke woordsoort is DIT en DIE?
DIT gedrag accepteren we niet op de school, DIE je zelf hebt gekozen.
A
aanwijzend vnw. + betrekkelijk vnw.
B
betrekkelijk vnw. + aanwijzend vnw.
C
aanwijzend vnw. + onbepaald vnw.
D
onbepaald vnw. + betrekkelijk vnw.

Slide 10 - Quiz

Welke woordsoort is WIE? Hij vroeg WIE ik het eerst om raad zou vragen.
A
onbepaald vnw.
B
betrekkelijk vnw.
C
aanwijzend vnw.
D
vragend vnw.

Slide 11 - Quiz

Welke woordsoort is HET?
Als HET regent, blijf ik lekker binnen.
A
betrekkelijk vnw.
B
aanwijzend vnw.
C
onbepaald vnw.
D
vragend vnw.

Slide 12 - Quiz

Welke woordsoort is DAT?
Het huiswerk DAT ik heb gemaakt, is pas voor morgen.
A
betrekkelijk vnw.
B
aanw. vnw.
C
onbepaald vnw.
D
betrekkelijk vnw. met ingesloten antecedent

Slide 13 - Quiz

Welke woordsoort is DAT en DEZE?
Bij het jasje DAT ik al had, heb ik DEZE broek gekocht.
A
aanwijzend vnw. + aanwijzend vnw.
B
aanwijzend vnw + betrekkelijk vnw.
C
betrekkelijk vnw. + betr. vnw.
D
betrekkelijk vnw. + aanwijzend vnw.

Slide 14 - Quiz