Maandag 2 maart

Maandag 2 maart
1e uur Nederlands
2e uur KWT
3e uur Duits
pauze
4e uur Engels
5e uur economie
pauze
6e uur wiskunde
7e uur burgerschap
1 / 26
next
Slide 1: Slide
EconomieSpeciaal OnderwijsLeerroute 2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Maandag 2 maart
1e uur Nederlands
2e uur KWT
3e uur Duits
pauze
4e uur Engels
5e uur economie
pauze
6e uur wiskunde
7e uur burgerschap

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen?
  • korte herhaling vorige les
  • lesdoel
  • uitleg verwijswoorden
  • samen opdracht 1
  • zelfstandig aan het werk
  • herhaling lesdoel
  • afsluiting

Slide 3 - Slide

Nederlands
Wat hebben we de vorige keer gedaan?

Slide 4 - Slide

Onbekende woorden
Zoek een woorddeel in een ...
  • samenstelling: kooplust, leefstijl, omslagpunt
  • afleidingen: onthaasten, misleiden, doelloos 
  • woord uit een andere taal: detecteren, reflecteren, collectie

Slide 5 - Slide


HERBRUIKBAAR
A
samenstelling
B
afleiding
C
woord uit een andere taal

Slide 6 - Quiz


DROPKICK
A
samenstelling
B
afleiding
C
woord uit een andere taal

Slide 7 - Quiz


VOEDZAAM
A
samenstelling
B
afleiding
C
woord uit een andere taal

Slide 8 - Quiz


INTENTIES
A
samenstelling
B
afleiding
C
woord uit een andere taal

Slide 9 - Quiz


LANGETERMIJNPLANNING
A
samenstelling
B
afleiding
C
woord uit een andere taal

Slide 10 - Quiz

Is het gelukt om thuis met de opgaven aan de slag te gaan?

Slide 11 - Slide

Lesdoel:
  • Ik kan op de juiste manier verwijzen naar personen en naar bezit.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Link

Hoe kies je nou het juiste verwijswoord?
  • Welk verwijswoord je gebruikt, hangt af van het
  •  zelfstandig naamwoord waar je naar verwijst.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Samen opgave 1
Bladzijde 218

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Aan het werk:
Wat?                                   Aan het werk met opgave 2 en 3                      

Hoe?                                   Alleen of samen (zachtjes overleggen)                                                       
Waar staat het?             Bladzijde 219

Wat ga je doen              Pak je leesboek en ga lezen tot de tijd voorbij is.
als je klaar bent?
timer
1:00

Slide 18 - Slide

Lesdoel:
  • Ik kan op de juiste manier verwijzen naar personen en naar bezit.

Slide 19 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je wanneer het zelfstandig naamwoord enkelvoud en mannelijk (m) is?

  • hij, hem, zijn

Slide 20 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je wanneer het zelfstandig naamwoord enkelvoud en vrouwelijk (v) is?

  • zij, ze, haar

Slide 21 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je wanneer het zelfstandig naamwoord enkelvoud en onzijdig (o) is?

  • het, zijn

Slide 22 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je wanneer het zelfstandig naamwoord meervoud bij personen is?

  • zij, ze, hen, hun

Slide 23 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je wanneer het zelfstandig naamwoord meervoud bij dieren/ dingen is?

  • ze, hun

Slide 24 - Slide

Wat kun je doen als je niet weet of en woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is?
NEE!

Geen ChatGPT

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide