Overheid en pensioen (Economie vwo), les 2: Examentraining

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Examentraining

Overheid en pensioen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vragen over staatsschuld en quotes, belastingspreiding, welvaartsvast en waardevast en pensioenstelsels, met rekenvoorbeelden met ronde getallen.

Items in this lesson

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Examentraining

Overheid en pensioen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Steven Lek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen beantwoorden over staatsschuld en quotes, belastingspreiding, welvaartsvaste en waardevaste pensioenen en pensioenstelsels.

This item has no instructions

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke grootheid staat er: een stroom (saldo) of een voorraad (staatsschuld)?

  • 2. Bereken: staatsschuld eind = begin + tekort, daarna de quote: grootheid / bbp x 100%.

  • 3. Vergelijk: met de norm (3% en 60%) of met de andere keuze: spreiden, welvaartsvast, waardevast, omslag.

  • 4. Beredeneer: gebruik het begrip en zeg wie wanneer betaalt: dat is ruil over de tijd.

This item has no instructions

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Vraagtype 1: staatsschuld en quotes

  • Bereken eerst het saldo en de nieuwe staatsschuld, daarna de quote met het bbp.

  • Staatsschuld eind = staatsschuld begin + begrotingstekort.

  • Vergelijk de tekortquote met 3% en de staatsschuldquote met 60%.

  • Een quote van 2% die naar 3% gaat, stijgt 1 procentpunt (en 50 procent).

This item has no instructions

Staatsschuld begin 300, ontvangsten 250, uitgaven 275, bbp 500. Staatsschuldquote eind?

A

60%

B

55%

C

5%

D

65%

Saldo = 250 - 275 = -25, dus tekort 25. Schuld eind = 325. 325/500 = 65%. Verwachte fouten: het tekort vergeten (60%), het tekort aftrekken (55%) of de tekortquote geven (5%).

bbp 1.200, tekort 48, staatsschuld 660. Welke eis van het pact wordt geschonden?

A

Alleen de eis voor de schuld: 55% is hoger dan 3%

B

Alleen de eis voor het tekort: 4% is hoger dan 3%

C

Beide eisen: 4% en 55% zijn hoger dan 3%

D

Geen van beide: 4% en 55% zijn lager dan 60%

Tekortquote 48/1.200 = 4% (boven 3%), staatsschuldquote 660/1.200 = 55% (onder 60%). Verwachte fout: beide percentages met dezelfde norm vergelijken.

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Vraagtype 2: belastingspreiding

  • Belastingspreiding verdeelt het welvaartsverlies van belasting over meer jaren.

  • In het model is het welvaartsverlies evenredig met het kwadraat van de belasting in dat jaar.

  • Verdubbel je de belasting, dan wordt het verlies vier keer zo groot.

  • Spreiden past bij tijdelijke uitgaven, niet bij blijvende uitgaven.

This item has no instructions

Je bent minister en wilt blijvend hogere uitkeringen betalen met een tekort. Wat klopt?

A

Het tekort is uitgestelde belasting die nooit komt

B

Spreiden verlaagt de uitgave en dus de staatsschuld

C

Spreiden helpt niet: de uitgave blijft en de schuld stijgt

D

Het welvaartsverlies is bij een tekort altijd nul

Bij blijvende uitgaven spreidt een tekort niets uit: de staatsschuld en de rente lopen op. Verwachte fout: belastingspreiding toepassen op een structurele uitgave.

Verlies is evenredig met belasting in het kwadraat: 40 bij 20. En bij 60?

A

360

B

120

C

180

D

3.600

Verhouding 60/20 = 3, kwadraat 9, dus 9 x 40 = 360. Verwachte fouten: lineair rekenen (120), of 60 x 60 (3.600).

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Vraagtype 3: welvaartsvast en waardevast

  • Waardevast: nieuw bedrag = oud bedrag x (1 + inflatie).

  • Welvaartsvast: nieuw bedrag = oud bedrag x (1 + loonstijging).

  • Vergelijk de groei van de uitkering met die van de prijzen en de lonen om de koppeling te herkennen.

  • Stijgen de lonen harder dan de prijzen, dan blijft de koopkracht gelijk maar loopt het pensioen achter op de werkenden.

This item has no instructions

Een uitkering stijgt van 25.000 naar 25.750. Prijzen +3%, lonen +5%. Welke koppeling?

A

Welvaartsvast: de uitkering volgt de lonen

B

Waardevast: de uitkering volgt de prijzen

C

Geen van beide: 3% is lager dan de loonstijging

D

Beide: de uitkering stijgt met prijzen en lonen

25.750 / 25.000 = 1,03: precies de prijsstijging, dus waardevast. Verwachte fout: de lonen kiezen.

Lonen stijgen harder dan prijzen. Gevolg voor een waardevast pensioen?

A

Koopkracht daalt, positie t.o.v. werkenden gelijk

B

Koopkracht stijgt mee, positie t.o.v. werkenden gelijk

C

Koopkracht gelijk, positie t.o.v. werkenden beter

D

Koopkracht gelijk, positie t.o.v. werkenden slechter

Waardevast houdt de koopkracht gelijk, maar werkenden worden relatief welvarender. Verwachte fout: koopkracht en relatieve positie verwarren.

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Spaarvarken als gevelkunst in Rotterdam Zuid

Vraagtype 4: pensioenstelsels

  • Omslag: premie per werkende = pensioen x gepensioneerden / werkenden.

  • Kapitaaldekking: de pot is gespaard, de uitkering hangt dus af van het rendement.

  • Intergenerationele ruil zit in het omslagstelsel.

  • Benoem steeds wie betaalt en welk risico er is.

Image credit: Sandra Fauconnier / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Omslagstelsel: 4 werkenden per gepensioneerde, pensioen 20.000. Premie per werkende?

A

5.000

B

4.000

C

20.000

D

80.000

Premie per werkende = 20.000 / 4 = 5.000. Verwachte fouten: 20.000 / 5 (4.000), niets delen (20.000) of vermenigvuldigen (80.000).

Noem één risico van kapitaaldekking.

Goed: het rendement op de pot kan tegenvallen, dus de uitkering kan lager worden. Verwachte fout: vergrijzing noemen, dat is een probleem van het omslagstelsel.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Staatsschuld en quotes

2

Belastingspreiding

3

Welvaartsvast en waardevast

4

Pensioenstelsels

Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen.

TIJD · OVERHEID EN PENSIOEN

Tips voor op het examen

  • Saldo is een stroom, staatsschuld een voorraad: rekenen met de schuld begint met het tekort erbij.

  • Quotes altijd delen door het bbp; 3% hoort bij het tekort en 60% bij de schuld.

  • Quotes vergelijk je in procentpunten, niet in procenten.

  • Bij pensioen: vraag steeds wie betaalt, nu of later, en wie het risico draagt.

This item has no instructions