Beleid en begroting (Economie vwo), les 2: Examentraining

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Examentraining

Beleid en begroting: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: beleid typeren, het saldo doorrekenen, in- en uitverdienen en beleid beoordelen op termijn en timing.

Items in this lesson

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Examentraining

Beleid en begroting: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rijksoverheid.nl / Wikimedia Commons, CC0

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over begrotingsbeleid beantwoorden: typeren, het saldo doorrekenen en de effecten beredeneren.

This item has no instructions

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is de situatie: output gap positief of negatief, en wat doet de overheid?

  • 2. Typeer: stimulerend of verkrappend, en anticyclisch of procyclisch.

  • 3. Reken: saldo = belastingen min overheidsuitgaven; tel belastingen en uitkeringen apart op.

  • 4. Beredeneer: werk de keten uit, op korte en lange termijn.

This item has no instructions

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Vraagtype 1: beleid typeren

  • Stap 1: bepaal de situatie met de output gap.

  • Stap 2: bepaal of de maatregel stimuleert of verkrapt.

  • Stap 3: tegen de conjunctuur in is anticyclisch, mee is procyclisch.

This item has no instructions

Output gap -3%. De overheid schrapt uitgaven om te bezuinigen. Welk beleid?

A

Anticyclisch verkrappend begrotingsbeleid

B

Procyclisch verkrappend begrotingsbeleid

C

Anticyclisch stimulerend begrotingsbeleid

D

Procyclisch stimulerend begrotingsbeleid

Negatieve output gap: laagconjunctuur. Lagere uitgaven verkrappen en gaan mee met de conjunctuur: procyclisch. Verwachte fout: verkrappend automatisch anticyclisch noemen.

Output gap +2%. Welke maatregel is anticyclisch?

A

De uitgaven aan wegen verhogen

B

De belastingen verlagen

C

De uitkeringen verhogen

D

De belastingen verhogen

Hoogconjunctuur vraagt verkrappen: hogere belastingen. De andere maatregelen stimuleren en zijn dus procyclisch.

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Vraagtype 2: het saldo doorrekenen

  • Verandering saldo = verandering belastingen min verandering uitkeringen.

  • Belastingen: tarief x verandering bbp. Stijgende uitkeringen verlagen het saldo.

  • Reken in dezelfde eenheid en let op het teken.

This item has no instructions

Bbp -100. Belastingen zijn 30% van het bbp, uitkeringen +10. Saldoverandering?

A

-30

B

-20

C

-10

D

-40

Belastingen -30, uitkeringen +10 (saldo -10): totaal -40. Verwachte fouten: uitkeringen vergeten (-30), teken fout (-20), alleen uitkeringen (-10).

Zet van laagste naar hoogste begrotingssaldo

1

Belastingen 420, uitgaven 400

2

Belastingen 380, uitgaven 400

3

Belastingen 460, uitgaven 420

4

Belastingen 390, uitgaven 450

Saldi: -60, -20, +20 en +40.

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Vraagtype 3: in- en uitverdienen

  • Inverdieneffect = extra belastingen + lagere uitkeringen.

  • Effect op het saldo = maatregel + inverdieneffect (de uitgave telt negatief).

  • Bij bezuinigen: de bezuiniging verbetert het saldo, het uitverdieneffect verslechtert het.

This item has no instructions

Uitgaven +80, bbp +100, belasting 40% van bbp, uitkeringen -10. Effect op het saldo?

A

-40

B

-30

C

-80

D

+50

Belastingen +40, uitkeringen -10: inverdieneffect 50. Saldo: -80 + 50 = -30. Verwachte fouten: uitkeringen vergeten (-40), niets terugverdienen (-80), alleen het inverdieneffect (+50).

Een bezuiniging van 60 verbetert het saldo met 20. Hoe groot is het uitverdieneffect?

A

20

B

60

C

40

D

80

60 - 20 = 40. Verwachte fouten: het saldo-effect zelf noemen (20), de bezuiniging (60) of optellen (80).

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Vraagtype 4: beleid beoordelen

  • Denk aan korte en lange termijn: het saldo, de staatsschuld en de conjunctuur.

  • Vraag je af of de timing goed is: werkt de maatregel nog als de economie al herstelt?

  • Een goed antwoord noemt de oorzaak, het gevolg en de termijn.

This item has no instructions

Het kabinet voert stimulerend beleid bij laagconjunctuur. Welk nadeel kan er op lange termijn zijn?

A

Een hoger tekort en dus een hogere staatsschuld

B

Meer werkloosheid door het inverdieneffect

C

Een overschot door het uitverdieneffect

D

Lagere uitgaven door hogere belastingen

Stimuleren kost geld: het tekort en de staatsschuld lopen op, ook al is er een inverdieneffect. De andere opties beschrijven geen nadeel van stimuleren.

Stimulerend beleid werkt pas als de economie al herstelt. Wat is het gevolg?

A

Het beleid werkt dan anticyclisch

B

Het beleid werkt dan procyclisch

C

Het beleid heeft dan geen inverdieneffect

D

De stabilisatoren werken dan niet meer

Door slechte timing versterkt de stimulans de opleving: procyclisch. Inverdieneffecten en stabilisatoren werken gewoon door.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Beleid typeren

2

Het saldo doorrekenen

3

In- en uitverdienen

4

Beleid beoordelen

This item has no instructions

CONJUNCTUUR · BEGROTING

Tips voor op het examen

  • Bepaal altijd eerst de situatie met de output gap, dan pas de maatregel.

  • Anticyclisch en procyclisch gaan over de conjunctuur, stimulerend en verkrappend over de maatregel.

  • Een saldo bereken je als belastingen min overheidsuitgaven; stijgende uitkeringen verlagen het saldo.

This item has no instructions