Fictie les 5 en 6

Fictie

1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Fictie

Slide 1 - Slide

Informatie
* TOETS over fictie: woensdag 21 maart 
toetsstof: H1 t/m H6 fictie

* DOSSIEROPDRACHT 2: Verwerkingsopdracht (komt nog)
* Spreekbeurt: vandaag onderwerp doorgeven en spreekbeurten inplannen

Slide 2 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?

Les 1:
Bespreken lesdoelen
  • Voorkennis ophalen
  • Nakijken
  • Maken opdracht 4 en 5
  • Nakijken
Les 2:
  • Uitleg spreekbeurt
  • Zelfstandig aan de slag
  • Spreekbeurten inplannen/onderwerp doorgeven
  • Quiz
  • Afsluiting 

Slide 3 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van deze les:
  • Kun je het volgende uitleggen:
    fictie/non-fictie, realistisch/niet-realistisch, beoordelingswoorden, argumenten, ontstaan spanning, open plek, cliffhanger, hoofdpersonen/bijfiguren, eigenschappen.
  • Ben je een eind op gang met je spreekbeurt.

Slide 4 - Slide

'Voorkennis' ophalen
  • Fictie en non-fictie
  • Realistische en niet-realistische verhalen
  • Beoordelingswoorden
  • Argumenten
  • Ontstaan spanning
  • Open plek
  • Cliffhanger
  • Hoofdpersonen/bijfiguren

Slide 5 - Slide

Fictie en non-fictie
Fictie = een verzonnen verhaal

Non-fictie = een tekst over de werkelijkheid, niet verzonnen

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Beoordelingswoorden
  • Mensen hebben over van alles een mening.
Zo is een verhaal bijvoorbeeld spannend, saai, grappig of zielig.
  • Een mening is persoonlijk.
  • Om op een goede manier je mening te kunnen geven, is het handig om beoordelingswoorden te gebruiken.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

  • Onderscheid tussen verhaal en gedrag.
    Zo is een verhaal bijvoorbeeld oppervlakkig, saai, ontroerend of spannend.
    Zo  kun je het gedrag van een personage herkenbaar vinden of je aan het denken zetten.

  • Je moet kunnen uitleggen waarom je een bepaald beoordelingswoord hebt gekozen. Die uitleg noem je een reden of een argument.

Slide 10 - Slide

Soorten verhalen
  • Realistische en niet-realistische verhalen.
  • Realistische verhalen lijken op gebeurtenissen die in het echt ook kunnen gebeuren.
  • Niet-realistische verhalen kunnen in het echt niet voorkomen. Bijvoorbeeld: dieren die kunnen praten.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Spanning
  • Spanning ontstaat wanneer het een schrijver lukt vragen bij de lezer op te roepen.
    - Dat komt omdat de schrijver iets verzwijgt.
  • Verhalen worden spannend omdat er een geheim of een raadsel is.
  • Datgene wat verzwegen wordt in een verhaal, noem je een open plek.

Slide 13 - Slide

  • Door het 'antwoord' uit te stellen, blijf je doorlezen.
  • Ook de omgeving heeft een rol in de spanning.
  • Cliffhanger = het verhaal eindigt op een heel spannend moment.

Slide 14 - Slide

Hoofdpersonen
  • Hoofdpersonen: 
    - hebben net als echte personen gedachten, gevoelens en meningen.
    - In een verhaal kom je veel van die gedachten en gevoelens te weten.
    - Je ontdekt hun karakter.
    - Aan hun innerlijk besteedt het verhaal veel aandacht.

Slide 15 - Slide

Bijfiguren
  • Leer je meestal alleen van de buitenkant kennen.
  • Hebben ook gedachten en gevoelens, maar die kom je vaak niet te weten.
  • In een boek wordt het uiterlijk meestal wel beschreven, maar voor een groot gedeelte moet je dat er zelf bij bedenken.
  • Personen in verhalen hebben iets met elkaar te maken. Vaak komen hoofdpersonen/bijfugren met elkaar in conflict.

Slide 16 - Slide

Samen nakijken
Opdracht 1 blz. 154

Slide 17 - Slide

Maken: opdracht 4 en 5 blz. 156
timer
10:00
  • Hoe? > alleen.
  • Tijd? > 15 minuten.
  • Resultaat? > bespreken.
  • Muziek? > mag.
  • Klaar? > ga alvast stil de toetsstof doorlezen (zie je mail).

Slide 18 - Slide

Spreekbeurt: waar moet je op letten?
  • Informatie opzoeken: is de bron betrouwbaar?
  • Niet letterlijk teksten overnemen
  • Spreken in je eigen woorden
  • 5 minuten boeiend vertellen
  • Oogcontact met klas
  • Inleiding - middenstuk - slot
  • Vragen kunnen beantwoorden

Slide 19 - Slide

Inleiding

  • Vertellen waar je spreekbeurt over zal gaan;
  • Uitleggen waarom je voor dit onderwerp hebt gekozen;
  • Je noemt je verschillende deelonderwerpen.

Slide 20 - Slide

Middenstuk
  • Je onderwerp heeft ongeveer 5 deelonderwerpen (5 hoofdstukken).
  • Per deelonderwerp moet je uitgebreide informatie geven;
  • Je mag foto's/voorwerpen gebruiken (meenemen).
  • Duidelijk aangeven wanneer je met een nieuw onderwerp begint.
  • Je mag steekwoorden erbij gebruiken.

Slide 21 - Slide

Slot
  • Korte samenvatting
  • Je vraagt aan de klas of je misschien nog iets moet verduidelijken of aanvullen.

Slide 22 - Slide

Aan de slag: voorbereiden
  • Ongeveer 15-20 minuten voorbereiden.
  • Zelfstandig, in stilte.
  • Deelonderwerpen bedenken.
  • Informatie opzoeken.
  • Bedenken wat voor voorwerp je kunt meenemen.
    Ik loop langs voor het onderwerp & om de spreekbeurten in te plannen.

Slide 23 - Slide

Hoe ontstaat spanning?
A
Door vragen van de lezer te beantwoorden.
B
Door vragen bij de lezer op te roepen.

Slide 24 - Quiz

Wat is een open plek?
A
een plek waar het verhaal zich bevindt
B
datgene wat verzwegen wordt in een verhaal
C
de hints die de schrijver in een verhaal geeft

Slide 25 - Quiz

Is een verhaal waarin dieren kunnen praten, realistisch of niet-realistisch?
A
Realistisch
B
Niet-realistisch

Slide 26 - Quiz

Is een verzonnen verhaal (fictie) over loverboys realistisch f niet-realistisch?
A
Realistisch
B
Niet-realistisch

Slide 27 - Quiz

Wanneer een verhaal eindigt op een spannend moment, hoe noem je dat dan?
A
Een open plek
B
Een cliffhanger
C
Een gesloten plek.
D
Fictie

Slide 28 - Quiz

Bewering:
van bijfiguren kom je meer te weten dan van hoofdpersonen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz

Is een krantenbericht fictie of non-fictie?
A
Fictie
B
Non-fictie

Slide 30 - Quiz