Opleiding, verzekeren, lenen (Bedrijfseconomie havo), les 2: Examentraining

Een hoorcollege aan een technische universiteit in Helsinki

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Examentraining

Opleiding, verzekeren, lenen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: verzekeren afwegen, de kredietvorm herkennen, interest en schuldrest berekenen en de kosten van krediet bepalen, met acht vragen in examenstijl.

Items in this lesson

Een hoorcollege aan een technische universiteit in Helsinki

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Examentraining

Opleiding, verzekeren, lenen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Tungsten / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een casus een verzekering of kredietvorm herkennen en interest, aflossing en schuldrest berekenen.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is de situatie en wat is gegeven: bedrag, percentage, aflossing, looptijd?

  • 2. Herken: welke verzekering, kredietvorm of welk begrip hoort bij de situatie?

  • 3. Reken: interest = schuldrest × percentage, daarna aflossing en schuldrest.

  • 4. Controleer: reken je met de juiste schuldrest en klopt de eenheid?

This item has no instructions

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Vraagtype 1: verzekeren afwegen

  • Je krijgt een situatie en beoordeelt of verzekeren past, of welk soort verzekering het is.

  • Let op: hoe groot is de schade, kun je die zelf betalen en gaat het om een persoon of om bezit?

  • Voorbeeld: schade aan een auto is een schadeverzekering.

This item has no instructions

Mara heeft € 4.000 spaargeld en een laptop van € 600. De schadeverzekering kost € 10 per maand. Wat is een goede reden om niet te verzekeren?

A

Een verzekering vergoedt nooit diefstal

B

De premie krijgt ze terug als er geen schade is

C

De schade kan ze zelf betalen uit haar spaargeld

D

Zonder verzekering loopt ze geen risico

Syllabus 11.2.1: de premie is € 120 per jaar (12 × 10) en de mogelijke schade is € 600, die ze uit haar spaargeld kan betalen. Daarom kan niet verzekeren verstandig zijn. Verwachte fout: denken dat je zonder verzekering geen risico loopt, terwijl je dat risico zelf draagt.

Yara sluit een verzekering af die € 100.000 uitkeert aan haar partner als zij overlijdt. Welke verzekering is dit?

A

Een schadeverzekering

B

Een levensverzekering

C

Een inboedelverzekering

D

Een aansprakelijkheidsverzekering

Syllabus 11.2.2: een uitkering bij overlijden hoort bij een levensverzekering. Inboedel en aansprakelijkheid zijn schadeverzekeringen. Verwachte fout: schadeverzekering, omdat overlijden als schade voor de partner wordt gezien.

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Vraagtype 2: de kredietvorm herkennen

  • Je krijgt een situatie en noemt de kredietvorm.

  • Let op: eigendom (direct of pas later), onderpand, bedrag en looptijd.

  • Voorbeeld: een woning als onderpand wijst op hypothecair krediet.

This item has no instructions

Daan koopt een bankstel van € 2.400 in de winkel en betaalt in 12 maanden. Hij is direct eigenaar. Welke vorm?

A

Huurkoop

B

Private lease

C

Doorlopend krediet

D

Koop op afbetaling

Syllabus 11.2.3: betalen in termijnen en direct eigenaar zijn is koop op afbetaling. Bij huurkoop is de koper pas na de laatste termijn eigenaar. Verwachte fout: huurkoop.

Een bank leent € 280.000 voor 30 jaar voor de koop van een huis, met dat huis als onderpand. Welke vorm?

A

Persoonlijke lening

B

Doorlopend krediet

C

Koop op afbetaling

D

Hypothecair krediet

Syllabus 11.2.3: groot bedrag, lange looptijd en de woning als onderpand horen bij hypothecair krediet. Verwachte fout: persoonlijke lening, omdat de bank geld leent.

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Vraagtype 3: interest en schuldrest

  • Je rekent met de schuldrest aan het begin van de periode.

  • Stap 1: interest = schuldrest × percentage.

  • Stap 2: schuldrest na de periode = schuldrest min aflossing.

  • Stap 3: last = interest + aflossing.

This item has no instructions

Nora leent € 6.000 tegen 6% per jaar en lost elk jaar € 1.500 af. Hoeveel interest betaalt ze in jaar 1?

A

€ 90

B

€ 360

C

€ 270

D

€ 1.860

Syllabus 11.2.5: 6.000 × 0,06 = 360. Controle: 6.000 × 6 = 36.000, gedeeld door 100 is 360. Fouten: € 90 is 6% van de aflossing (1.500 × 0,06); € 270 is 6% van de schuldrest na jaar 1 (4.500 × 0,06); € 1.860 is interest plus aflossing.

Vervolg: Nora leent € 6.000, lost elk jaar € 1.500 af en betaalt 6% over de schuldrest. Wat is haar totale last in jaar 2?

A

€ 1.860

B

€ 1.500

C

€ 1.770

D

€ 270

Syllabus 11.2.5: schuldrest begin jaar 2 is 6.000 min 1.500 is 4.500. Interest 4.500 × 0,06 = 270. Last: 270 + 1.500 = 1.770. Fouten: € 1.860 is de last van jaar 1, € 1.500 is alleen de aflossing, € 270 is alleen de interest.

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Vraagtype 4: kosten van krediet

  • Je bepaalt wat krediet je in totaal extra kost, of hoe de hypotheeklast zich ontwikkelt.

  • Totale kosten = alles wat je betaalt min het geleende bedrag of de contante prijs.

  • Bij hypothecair krediet reken je met dezelfde stappen: interest, aflossing, schuldrest.

This item has no instructions

Lars koopt een scooter op huurkoop: aanbetaling € 500 en 24 maanden € 120. De contante prijs is € 3.000. Hoeveel betaalt hij extra?

A

€ 380

B

€ 500

C

€ 2.880

D

€ 3.380

Syllabus 11.2.4 en 11.2.5: totaal betaald is 500 + 24 × 120 = 500 + 2.880 = 3.380. Extra kosten: 3.380 min 3.000 = 380. Fouten: € 500 is alleen de aanbetaling, € 2.880 zijn alleen de termijnen, € 3.380 is het totaal in plaats van het verschil.

Familie Bos heeft € 240.000 hypothecair krediet tegen 4% per jaar en lost € 8.000 per jaar af. Wat klopt voor jaar 1?

A

Interest € 9.280, schuldrest € 232.000

B

Interest € 9.600, schuldrest € 232.000

C

Interest € 17.600, schuldrest € 232.000

D

Interest € 9.600, schuldrest € 230.400

Syllabus 11.2.5: interest 240.000 × 0,04 = 9.600. Schuldrest 240.000 min 8.000 = 232.000. Fouten: € 9.280 is 4% over de schuld na aflossing, € 17.600 is interest plus aflossing, € 230.400 komt van 240.000 min de interest in plaats van min de aflossing.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Verzekeren afwegen

2

De kredietvorm herkennen

3

Interest en schuldrest berekenen

4

De kosten van krediet bepalen

Gebruik de uitslag om te bepalen welk vraagtype je klassikaal nog eens uitwerkt.

EXAMENSTOF · PERSOON · GELDKEUZES

Tips voor op het examen

  • Reken de interest altijd over de schuldrest aan het begin van de periode.

  • Kijk of het percentage per jaar of per maand is.

  • Procent en procentpunt zijn niet hetzelfde: schrijf de eenheid erbij.

  • Reken elke uitkomst na en controleer of de schuldrest daalt.

This item has no instructions