herhaling t/m bwb 2HV les 4

Welkom
Taalvoutje

Zie jij de fout hiernaast? 
Hoe zou jij die corrigeren?

1 / 47
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1-3

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Welkom
Taalvoutje

Zie jij de fout hiernaast? 
Hoe zou jij die corrigeren?

Slide 1 - Slide

programma vandaag
- maken d-toets
- bespreken d-toets
- herhalen theorie grammatica zinsontleding t/m bwb via Lesson up 
- oefenen zelfstandig online of samen met mij nog enkele zinnen

Slide 2 - Slide

 doel
Jij kan (weer) zinnen ontleden tot en met de bijwoordelijke bepaling.

Slide 3 - Slide

Maak de diagnostische toets (15 min.)
stappenplan zinnen ontleden (de basis)
persoonsvorm 
zinsdelen
onderwerp
werkwoordelijk gezegde /naamwoordelijk gezegde
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling
timer
15:00

Slide 4 - Slide

 D-toets
We bespreken de zinnen samen.
Kijk zorgvuldig na.

Slide 5 - Slide

Gisteren| heb | ik | het geheim| aan Finn |doorverteld.
pv: heb
zinsdelen
wg: heb doorverteld
ond: ik
lv: het geheim
mv: aan FInn
bwb: gisteren

Slide 6 - Slide

De postbode| heeft| vanmiddag |het pakketje |aan hem| gegeven.
pv: heeft
zinsdelen
wg: heeft gegeven
ond: de postbode
lv: het pakketje
mv: aan hem
bwb: vanmiddag

Slide 7 - Slide

Gelukkig |is| mijn hond| heel lief.|
pv: is
zinsdelen
ng: is heel lief
ond: mijn hond
lv: -
mv: -
bwb: gelukkig

Slide 8 - Slide

Het leren| heeft |mij |een voldoende |opgeleverd.
pv: heeft
zinsdelen
wg: heeft opgeleverd
ond: het leren
lv: een voldoende
mv: mij
bwb: -

Slide 9 - Slide

Zij |heeft| de muur |een lik verf |gegeven.
pv: heeft
zinsdelen
wg: heeft gegeven
ond: zij
lv: een lik verf
mv: de muur
bwb: -

Slide 10 - Slide

De lerares |zou| hem |gewaarschuwd| hebben.
pv: zou
zinsdelen
wg: zou gewaarschuwd hebben
ond: de lerares
lv: -
mv: hem
bwb: -

Slide 11 - Slide

Fay |neemt| haar voetbal |mee| naar huis.
pv: neemt
zinsdelen
wg: neemt mee
ond: Fay
lv: haar voetbal
mv: -
bwb: naar huis

Slide 12 - Slide

De docent| geeft |graag |advies |aan zijn klas.
pv: geeft
zinsdelen
wg: geeft
ond: de docent
lv: advies
mv: aan zijn klas
bwb: graag

Slide 13 - Slide

Ik |heb |het huis van Daan| schoongemaakt.
pv: heb
zinsdelen
wg: heb schoongemaakt
ond: ik
lv: het huis van Daan
mv: -
bwb: -

Slide 14 - Slide

De panini's in de kantine| zijn |het lekkerste.
pv: zijn
zinsdelen
ng: zijn het lekkerste
ond: de panini's in de kantine
lv: -
mv: -
bwb: -

Slide 15 - Slide

 D-toets
Meer dan 5 fouten? Kijk naar je fouten! 
Hoe kun je dat een volgende keer voorkomen? 

Slide 16 - Slide

10 minuten oefenen: keuze...
  • Op de volgende link in de volgende dia ga je oefenen:
Kies uit: werkwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bwb
- Groep A: oefenen online zie volgende slide
- Groep B: Wie wil samen nog enkele zinnen oefenen?

Slide 17 - Slide

 Korte herhaling
kijk en doe mee in LessonUp

Slide 18 - Slide

zinsdelen
Zinnen bestaan uit zinsdelen. Een zinsdeel is één woord of een groepje woorden die bij elkaar horen. Voor de persoonsvorm staat maar één zinsdeel.
Bijv. 
Vorig jaar/heb/ik/ voor mijn vrienden/ een voetbaltoernooi/ georganiseerd.

Slide 19 - Slide

Dit jaar zal niemand van 2HV doubleren.
Zet streepjes tussen de zinsdelen.

Slide 20 - Open question

Gisteren heeft de directeur een lezing gehouden. Benoem het wg.
A
Gisteren
B
een lezing
C
de directeur
D
heeft gehouden

Slide 21 - Quiz

Let op
De woorden 'aan het' en 'te' horen bij het werkwoordelijk gezegde.
vb. Mijn zusjes/ zitten/ huiswerk /te maken
wg - zitten te maken

vb. Zijn/ die scholieren /over dat meisje /aan het roddelen?
wg = zijn aan het roddelen

Slide 22 - Slide

Het onderwerp
Het onderwerp:
wie of wat + wg

Zijn /die scholieren /over dat meisje /aan het roddelen?
wg = zijn aan het roddelen
dus... wie of wat zijn aan het roddelen?


Slide 23 - Slide

Gisteren heeft de directeur een lezing gehouden. Benoem het onderwerp

A
Gisteren
B
een lezing
C
de directeur
D
heeft gehouden

Slide 24 - Quiz

Wwg (alle werkwoorden)
Bij wwg noem je alle werkwoorden die in de zin staan. 

Slide 25 - Slide

Sleep alle werkwoorden naar 'werkwoorden' alles wat geen werkwoord is sleep je naar 'geen werkwoord'.
timer
0:45
Werkwoorden
Geen werkwoord
huis
goede bedoelingen
verhuizen
heb willen houden
zijn
zijn hond

Slide 26 - Drag question

stappenplan zinnen ontleden, herhaling (de basis)
persoonsvorm onderstrepen
zinsdelen
onderwerp
werkwoordelijk gezegde
lijdend voorwerp
meewerkend voorwerp
bijwoordelijke bepaling

Slide 27 - Slide

Het lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp komt voor in zinnen waarin iemand iets 'overkomt' of iets (een voorwerp) iets 'ondergaat'.

Vanwege het slechte weer/ hebben/ we/ het feest /uitgesteld.
wg = hebben uitgesteld
o = we
wie/wat + wg + o 
dus... wat hebben we uitgesteld?
lv = het feest

Slide 28 - Slide

Let op:
Een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel (aan, achter, bij, in, langs, met, naast ,onder etc.  etc. )

Slide 29 - Slide

Die leuke broek heeft Moira bij de Zara gekocht. LV?

Slide 30 - Mind map

lijdend voorwerp of naamwoordelijk deel?

Bij grammatica zinsdelen moet je aangeven of er een lv of een nd in de zin staat. Dit doe je als volgt:
  • Als je een zww in de zin hebt staan, dan heb je ook een lijdend voorwerp. 
  • Als je een kww in de zin hebt staan, dan heb je ook een naamwoordelijk deel. 

Slide 31 - Slide

Dus:
zww --> Je geeft aan dat je een wwg en een lv hebt.

kww --> Je geeft aan dat je een wwd en een nd hebt. 

Slide 32 - Slide

Lijdend voorwerp en naamwoordelijk deel

Lijdend voorwerp --> wie/wat + pv + o + overige werkwoorden?

Naamwoordelijk deel --> wat + pv + o + overige werkwoorden?

Slide 33 - Slide

Haal het onderwerp en het lv/nd uit de zin. Geef ook aan of er een lv of nd is:
Voor meer rendement moeten zonnepanelen groter worden.

Slide 34 - Open question

Naamwoordelijk gezegde
Een naamwoordelijk gezegde heb je alleen bij een kww.
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit het wwd en het nd.

Dus: nwg = wwd+nd

Heb je een zww dan heb je dus geen nwg.

Slide 35 - Slide

Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp (mv) geeft aan voor wie iets bestemd is. Een mv kan beginnen met aan (of voor), maar dat hoeft niet. 
 



Slide 36 - Slide

Meewerkend voorwerp
vb. Mieke/ heeft /Jari /haar oude laptop/ gegeven.
wg = heeft gegeven
o = MIeke
lv = haar oude laptop
Meewerkend voorwerp: aan wie of voor wie + wg + o + lv
dus: aan wie of voor wie heeft Mieke haar oude laptop gegeven?
mv = Jari

Slide 37 - Slide

De recensies /beloven /de bioscoopgangers/een spannende film.
meewerkend voorwerp?
A
de recensies
B
de bioscoopgangers
C
een spannende film
D
beloven

Slide 38 - Quiz

bijwoordelijke bepaling

Slide 39 - Slide

Wij /voetbalden/ vroeger /altijd/ op straat. Bwb?
A
op straat
B
vroeger, op straat
C
altijd
D
altijd, vroeger, op straat

Slide 40 - Quiz

Wat vind je nog het lastigste van de zinsontleding? Kies uit: zinsdelen, wg, o, lv, mv, bwb of niets

Slide 41 - Open question

Slide 42 - Link

Slide 43 - Slide

Slide 44 - Slide

Slide 45 - Slide

Moeder kookte een heerlijke maaltijd.
Ik zie haar.
Wij geven jullie een bos bloemen.
Heb je hun geschreven?
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp

Slide 46 - Drag question

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
Zin:
onderwerp
werkwoordelijk gezegde
lijdend
voorwerp
meewerkend
voorwerp
bijwoordelijke
bepaling
Ze
heeft
 dit jaar
een mooi cadeau 
voor haar vader
gemaakt.

Slide 47 - Drag question