Taalquiz

Welkom!
Telefoons in de telefoontas
Jassen uit
Pak je leesboek (heb je zelf iets meegenomen?)
Ga lekker zitten, we lezen 10 minuten in stilte
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom!
Telefoons in de telefoontas
Jassen uit
Pak je leesboek (heb je zelf iets meegenomen?)
Ga lekker zitten, we lezen 10 minuten in stilte

Slide 1 - Slide

TAALQUIZZZZ

Slide 2 - Slide




                       Welk spreekwoord is juist?
A
De kat in de pot vinden
B
De hond in de pot vinden

Slide 3 - Quiz



    Welk woord moet je invullen op de stippellijn:

                     Deze soep ....... nergens naar.
A
proeft
B
smaakt

Slide 4 - Quiz

Wat is het onderwerp van deze zin?

Joost heeft hem geroepen!
A
Joost
B
hem

Slide 5 - Quiz

Wat is de juiste spelling?

A
Houd hij van me?
B
Houdt hij van me?

Slide 6 - Quiz

Welke spelling is juist?

A
oud-Hollandse spelletjes  
B
oudhollandse spelletjes

Slide 7 - Quiz

Welke spelling is juist?
A
pannekoek
B
pannenkoek

Slide 8 - Quiz

Wat is het meervoud van melodie?
A
Melodieën
B
Melodiën

Slide 9 - Quiz


     Is 'onmiddelijk' goed of fout gespeld? 
A
goed
B
fout

Slide 10 - Quiz

Wat betekent 'sober'?
A
eenvoudig
B
schoon

Slide 11 - Quiz

Welke woorden met -ij zijn goed geschreven?

A
aardbij
B
zijkant
C
schilderij
D
batterij

Slide 12 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de zin?

"Wij kregen Freek Vonk plaatjes bij de Albert Heijn."
A
Wij
B
Freek Vonk
C
Kregen
D
Albert Heijn

Slide 13 - Quiz

Wat is de persoonsvorm in de zin?

"Morgen ben ik eindelijk jarig"
A
morgen
B
ben
C
jarig
D
eindelijk

Slide 14 - Quiz

Grammatica

Welke zin is helemaal goed?
A
Ik heb heel hard geniesd.
B
Ik ben gisteren verhuist.
C
Ik heb een verhaal vertelt.
D
Ik heb ziek geweest.

Slide 15 - Quiz

Wat is de persoonsvorm?

"Heet de nieuwe leerling uit Assen, Tom?"
A
Assen
B
leerling
C
nieuwe
D
heet

Slide 16 - Quiz

Wat hoort op de ..... ?

"ik ........ deze taalquiz heel leuk"
A
vinden
B
vind
C
vindt
D
vonden

Slide 17 - Quiz

tussen, op, naast, onder, bij, van

Dit zijn:
A
lidwoorden
B
voorzetsels
C
telwoorden
D
bijvoeglijke naamwoorden

Slide 18 - Quiz

Wat is het voltooid deelwoord van het werkwoord stappen?
A
gestapt
B
stappen heeft geen voltooid deelwoord
C
gestapd
D
gestappen

Slide 19 - Quiz

Grammatica
In welke zin staan GEEN zelfstandige naamwoorden?
A
De vliegen vliegen achter vliegen aan.
B
De reiziger zal met de trein gaan reizen.
C
In de mediatheek staan veel computers.
D
Misschien moeten wij verhuizen.

Slide 20 - Quiz

Spelling

Welk woord is FOUT geschreven?
A
appartement
B
raport
C
bodem
D
plafond

Slide 21 - Quiz

Woordenschat

Wat betekent belemmeren?
A
verhinderen
B
zeuren
C
remmen
D
jaloers zijn

Slide 22 - Quiz

Werkwoordspelling
(Beantwoorden)... je die vraag wel goed?
A
Beantwoort
B
beantwoor
C
beantwoord
D
beantwoordt

Slide 23 - Quiz

Werkwoordspelling
(Worden) ... je vader boos als je een onvoldoende haalt?
A
word
B
wordt

Slide 24 - Quiz

Grammatica
Wat past in de zin?
Ik heb deze week .............. gelezen.
A
de mooie boek
B
het mooi boek
C
een mooie boek
D
een mooi boek

Slide 25 - Quiz

Meervoud

Wat is fout?
A
programma's
B
televisie's
C
winkels
D
mango's

Slide 26 - Quiz

Meervoud

Wat is fout?
A
cadeaus
B
douches
C
theoriën
D
sauzen

Slide 27 - Quiz


Tot de volgende les!

Slide 28 - Slide