*Deel 3 herhaling grammatica zinsdelen, 2hb

Vandaag 
Lezen (10 minuten)
Bespreken huiswerk (5 minuten)
Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp (15 minuten) 
Aan de slag (resterende tijd) 
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Vandaag 
Lezen (10 minuten)
Bespreken huiswerk (5 minuten)
Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp (15 minuten) 
Aan de slag (resterende tijd) 

Slide 1 - Slide

Grammatica zinsdelen
PV + OW
Lesdoelen

1 . Je kunt het onderwerp vinden in een zin.
2. Je kent het werkwoordelijk gezegde
3. Je herkent het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp 

Slide 2 - Slide

Grammatica zinsdelen

Persoonsvorm en onderwerp

Slide 3 - Slide

Zinsdelen
2 manieren om te zien welke woorden samen een zinsdeel vormen:
1. Kijk welke woorden altijd in dezelfde volgorde naast elkaar blijven staan als je de zin verandert. Die woorden zijn samen een zinsdeel.
2. Probeer welke woorden je samen voor de pv kunt zetten. Die woorden vormen samen een zinsdeel.
- De kok / heeft / vandaag / een lekker toetje / gemaakt.
- Vandaag / heeft / de kok / een lekker toetje / gemaakt.
- Een lekker toetje / heeft / de kok / vandaag / gemaakt.

Let op: de werkwoorden heeft en gemaakt vormen samen één zinsdeel, ook al staan ze uit elkaar. 

Slide 4 - Slide

Hoe vind je het onderwerp (ow) ?

1. Verander de persoonsvorm van getal. (van enkelvoud maak je dus meervoud of andersom)
Het woord dat mee moet veranderen, is het onderwerp

2. Stel de vraag wie of wat + persoonsvorm?
Het antwoord op deze vraag is het onderwerp

Slide 5 - Slide

Het werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in een zin die samen iets over het onderwerp zeggen, noem je het werkwoordelijk gezegde (wg).

Slide 6 - Slide

ZINSDELEN

werkwoordelijk gezegde



Soms is het werkwoordelijk gezegde maar één werkwoord 

(de persoonsvorm), soms zijn het er meer. Bijvoorbeeld:


- Leonie kijkt naar buiten.

- Leonie heeft naar buiten gekeken

- Leonie wil graag naar buiten kijken.


Slide 7 - Slide

ZINSDELEN

werkwoordelijk gezegde



De persoonsvorm is altijd onderdeel van het 
werkwoordelijk gezegde.

werkwoordelijk gezegde =
persoonsvorm + alle andere werkwoorden

Slide 8 - Slide

Bespreken huiswerk
Opdracht 3

Slide 9 - Slide

1 Morgen / wordt / mijn nieuwe jas / door TNT Post / bij mij thuis / afgeleverd.
ow = mijn nieuwe jas
wg = wordt afgeleverd
2 Isa / vindt / het nieuwe nummer van Shawn Mendes / erg goed.
ow = Isa
wg = vindt
3 Vanavond / maak / ik / eindelijk / mijn werkstuk over vulkanisme / af.
ow = ik
wg = maak af

Slide 10 - Slide

4 Zijn / de taxichauffeurs / bij Schiphol / aan het protesteren / voor hogere tarieven?
ow = de taxichauffeurs
wg = Zijn aan het protesteren
5 Dit weekend / wil / Frits / met een paar vrienden / Madurodam / gaan bezoeken.
ow = Frits
wg = wil gaan bezoeken
6 De ingang van onze school / schijnt / binnenkort / opgeknapt (/) te worden.
ow = De ingang van onze school
wg = schijnt opgeknapt te worden

Slide 11 - Slide

Aan de slag
In de volgende zinnen bestaat het werkwoordelijk gezegde 
uit meerdere woorden 
(de persoonsvorm + alle andere werkwoorden).

Noteer steeds het werkwoordelijk gezegde.
Zet de persoonsvorm steeds voorop!

Slide 12 - Slide

In het Guinness Book of Records zijn vreemde records opgeschreven.

Slide 13 - Open question

De familie Yang heeft een enorme zeepbel geproduceerd.

Slide 14 - Open question

Een jongen kan ballonnen opblazen met zijn neus.

Slide 15 - Open question

Lijdend voorwerp 

Slide 16 - Slide

Lijdend voorwerp

De meeste zinnen bevatten een persoonsvorm, een werkwoordelijk gezegde en een onderwerp.


Veel zinnen hebben ook een lijdend voorwerp.

Met het lijdend voorwerp gebeurt iets,

het 'ondergaat' wat in het gezegde staat.

Slide 17 - Slide

LIJDEND VOORWERP


Tim | graaft | een kuil.


Wat graaft Tim? Tim graaft een kuil.


lijdend voorwerp = een kuil

voorbeeld 1
ow
wwgez

Slide 18 - Slide

LIJDEND VOORWERP


Een speler | roept | de grensrechter.


Wie roept een speler? De speler roept de grensrechter.


lijdend voorwerp = de grensrechter

voorbeeld 2
ow
wwgez

Slide 19 - Slide

LIJDEND VOORWERP


Elin | vertelt | een verhaal.


Wat vertelt Elin? Elin vertelt een verhaal.


lijdend voorwerp = een verhaal

voorbeeld 3
ow
wwgez

Slide 20 - Slide

Met wie of wat gebeurt iets in de zin?
Schrijf het lijdend voorwerp op.

Bruno drinkt een glas water.

Slide 21 - Open question

Met wie of wat gebeurt iets in de zin?
Schrijf het lijdend voorwerp op.

De leraar schrijft een som op.

Slide 22 - Open question

Met wie of wat gebeurt iets in de zin?
Schrijf het lijdend voorwerp op.

De voetballer trapt de bal weg.

Slide 23 - Open question

Meewerkend voorwerp
In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook een meewerkend voorwerp staan.

Het geeft aan voor / aan wie iets bestemd is.

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Video

Zo vind je het meewerkend voorwerp


1. Zoek eerst de persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 26 - Slide

Tip
Het meewerkend voorwerp komt vaak voor bij werkwoorden die iets te maken hebben met 'vertellen' (meedelen, uitleggen, zeggen) of met 'geven' (overhandigen, lenen, toesturen).

Slide 27 - Slide

Meewerkend voorwerp

Stel de vraag: 

Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?


voorbeeld:

Daniëlle / mag / deze bos bloemen / overhandigen / aan de koningin



Slide 28 - Slide

Aan de slag
Maak opdracht 4 van De Brug Grammatica Zinsdelen 

Slide 29 - Slide

Opdracht 4-a
Johannes de Jong heeft ons alweer zo'n superlange e-mail gestuurd. 

Slide 30 - Slide

a 1 Johannes de Jong / heeft / ons / alweer / zo’n superlange e-mail / gestuurd.
pv = heeft
ow = Johannes de Jong
wg = heeft gestuurd
2 Vraag: Wat heeft Johannes de Jong gestuurd?
lv = zo’n superlange e-mail
3 Vraag: Aan wie heeft Johannes de Jong zo’n superlange e-mail gestuurd?
mv = ons

Slide 31 - Slide

Opdracht 4-b
Vanmorgen legde de wiskundeleraar de opgaven aan zijn klas uit.

Slide 32 - Slide

 1 Vanmorgen / legde / de wiskundeleraar / de opgaven / aan zijn klas / uit.

pv = legde
ow = de wiskundeleraar
wg = legde uit
2 Vraag: Wat legde de wiskundeleraar uit?
lv = de opgaven
3 Vraag: Aan wie legde de wiskundeleraar de opgaven uit?
mv = aan zijn klas

Slide 33 - Slide

Opdracht 4-c
Zulke IJslandse husky's kunnen moeiteloos dergelijke zwaarbeladen sleeën trekken.

Slide 34 - Slide

1 Zulke IJslandse husky’s / kunnen / moeiteloos / dergelijke zwaarbeladen sleeën / trekken.

pv = kunnen
ow = Zulke IJslandse husky’s
wg = kunnen trekken
2 Vraag: Wat kunnen zulke IJslandse husky’s trekken?
lv = dergelijke zwaarbeladen sleeën
3 Vraag: Aan/Voor wie kunnen zulke IJslandse husky’s dergelijke zwaarbeladen sleeën trekken?
Geen antwoord, dus geen mv.

Slide 35 - Slide

Opdracht 4-d
Heeft Adriaan jou dat vieze drankje ingeschonken?

Slide 36 - Slide

1 Heeft / Adriaan / jou / dat vieze drankje / ingeschonken?

pv = Heeft
ow = Adriaan
wg = Heeft ingeschonken
2 Vraag: Wat heeft Adriaan ingeschonken?
lv = dat vieze drankje
3 Vraag: Voor wie heeft Adriaan dat vieze drankje ingeschonken?
mv = jou

Slide 37 - Slide

Opdracht 4-e
Waarom zou dit Roemeense orkest zulke ouderwetse liedjes spelen? 

Slide 38 - Slide

1 Waarom / zou / dit Roemeense orkest / zulke ouderwetse liedjes / spelen?

pv = zou
ow = dit Roemeense orkest
wg = zou spelen
2 Vraag: Wat zou dit Roemeense orkest spelen?
lv = zulke ouderwetse liedjes
3 Vraag: Voor wie zou dit Roemeense orkest zulke ouderwetse liedjes spelen?
Geen antwoord, dus geen mv.

Slide 39 - Slide

Opdracht 4-f
Staat de burgemeester op het bordes snoep uit te delen aan de kinderen? 

Slide 40 - Slide

1 Staat / de burgemeester / op het bordes / snoep / uit te delen / aan de kinderen?

pv = Staat
ow = de burgemeester
wg = staat uit te delen
2 Vraag: Wat staat de burgemeester uit te delen?
lv = snoep
3 Vraag: Aan wie staat de burgemeester snoep uit te delen?
mv = aan de kinderen

Slide 41 - Slide

Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als: 
Hoe? Hoelang? Waar? Waardoor? Waarheen? Waarom? Waarmee? 

- Mijn vader gaat elke dag met de auto naar zijn werk. (Wanneer? Hoe? Waarheen?)

Slide 42 - Slide

Aan de slag
Maak opdracht 5 van De Brug Grammatica Zinsdelen 

Slide 43 - Slide