Kalkaanslag in een waterkoker: kalk dat uit hard water neergeslagen is
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Examentraining
Rekenen aan evenwichten: zo pak je examenvragen aan
Kalkaanslag in een waterkoker: kalk dat uit hard water neergeslagen is
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Examentraining
Rekenen aan evenwichten: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Julo / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan met K, Ks en Kv concentraties en hoeveelheden berekenen en daarbij de tabel en de juiste wiskunde gebruiken.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke reactie, welke gegevens (K, Ks, Kv, begin of evenwicht, volumes)?
2. Schrijf: de uitdrukking voor K, Ks of Kv, zonder vaste stoffen en water als oplosmiddel.
3. Tabel: begin, omzetting (volgens de coëfficiënten) en evenwicht, in mol L⁻¹.
4. Reken: vul in, los x op (wortel of abc-formule) en controleer met K of Ks.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Vraagtype 1: K uit evenwicht
Schrijf Q uit en vul de evenwichtsconcentraties in: K is de waarde van Q bij evenwicht.
Heb je begin en één evenwichtsconcentratie? Maak een tabel en leid de rest af met de coëfficiënten.
Staan er mol en een volume? Reken eerst om naar mol L⁻¹ (n / V).
Geef K in evenveel significante cijfers als het gegeven met de minste.
Controleer: een grote K betekent veel producten, een kleine K veel beginstoffen.
This item has no instructions
2 SO₂ + O₂ ⇌ 2 SO₃. Begin 0,400 SO₂ en 0,200 O₂; evenwicht 0,300 SO₃ (mol L⁻¹). K?
6,00·10¹
1,80·10¹
1,80·10²
5,56·10⁻³
Syllabus R&A1.6. Twee keer nagerekend met Python: SO₃ heeft coëfficiënt 2, dus x = 0,150; SO₂ wordt 0,400 − 0,300 = 0,100 en O₂ wordt 0,200 − 0,150 = 0,050 mol L⁻¹. K = 0,300² / (0,100² × 0,050) = 0,090 / 5,0·10⁻⁴ = 1,80·10². Reactie klopt: S 2 = 2, O 6 = 6. Verwachte fouten: de machten vergeten (6,00·10¹), de macht van SO₂ vergeten (1,80·10¹), of de breuk omdraaien (5,56·10⁻³).
CO + 2 H₂ ⇌ CH₃OH in 2,00 L: 0,40 mol CO, 0,80 mol H₂, 0,60 mol CH₃OH. K?
2,3
1,9
9,4
0,11
Syllabus R&A1.6. Twee keer nagerekend met Python: eerst mol naar mol L⁻¹: [CO] = 0,20, [H₂] = 0,40, [CH₃OH] = 0,30 mol L⁻¹. K = 0,30 / (0,20 × 0,40²) = 0,30 / 0,032 = 9,4 (2 significante cijfers). Reactie klopt: C 1, O 1, H 4 aan beide kanten. Verwachte fouten: rekenen met mol zonder volume (0,60 / (0,40 × 0,80²) = 2,3), de macht van H₂ vergeten met mol (1,9), of de breuk omdraaien (0,11).
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Vraagtype 2: concentraties uit K
Zet een tabel op met x; de omzetting volgt uit de coëfficiënten (2x bij coëfficiënt 2).
Vul Q = K in. Staat er links en rechts een kwadraat, neem dan de wortel; anders krijg je een tweedegraadsvergelijking.
Tweedegraads: schrijf als ax² + bx + c = 0, gebruik de abc-formule en kies de oplossing met positieve concentraties.
Controleer: vul de uitkomst in Q in en kijk of je K terugvindt.
De benadering c − x ≈ c mag alleen als x veel kleiner is dan c (minder dan ongeveer 5%).
This item has no instructions
Zuur + alcohol ⇌ ester + water, K = 9,0. Begin 0,60 mol L⁻¹ zuur en alcohol. [ester]?
0,45 mol L⁻¹
0,15 mol L⁻¹
0,54 mol L⁻¹
0,30 mol L⁻¹
Syllabus R&A1.6, A8.6. Aanname: estervorming zonder oplosmiddel, dus water staat in Q (zie Chemisch evenwicht). Twee keer nagerekend met Python: x² / (0,60 − x)² = 9,0 geeft x / (0,60 − x) = 3,0, dus x = 1,80 − 3,0x en x = 0,45; [zuur] = [alcohol] = 0,15. Controle: 0,45² / 0,15² = 9,0. Verwachte fouten: [zuur] noemen (0,15), de wortel vergeten (x / (0,60 − x) = 9,0 geeft 0,54), of x = 0,30 (half van de beginconcentratie).
A ⇌ B + C, K = 4,0·10⁻³, begin [A] = 0,100 mol L⁻¹. [B]?
Goed antwoord: x² / (0,100 − x) = 4,0·10⁻³ geeft x² + 4,0·10⁻³ x − 4,0·10⁻⁴ = 0; x = (−4,0·10⁻³ + √(1,6·10⁻⁵ + 1,6·10⁻³)) / 2 = 1,8·10⁻² mol L⁻¹ (twee keer nagerekend met Python: 0,01810). Controle: 0,0181² / 0,0819 = 4,0·10⁻³. Verwachte fout: de benadering x = √(K × c) = 2,0·10⁻² gebruiken, terwijl x dan 18% van c is. Syllabus R&A1.6, A8.6.
Loodjodide slaat neer na het mengen van twee oplossingen (foto: PRHaney, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Vraagtype 3: Ks en neerslag
Schrijf Ks uit met de coëfficiënten als machten; het vaste zout staat er niet in.
Oplosbaarheid s: [kation] = a × s en [anion] = b × s, vul in Ks in. Bij MX₂ is Ks = 4s³.
Neerslag? Bereken de concentraties na mengen, dan Q, en vergelijk met Ks.
Q < Ks: geen neerslag. Q > Ks: neerslag tot Q = Ks.
Image credit: PRHaney / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Ks van PbI₂ = 8,5·10⁻⁹. Bereken s.
Goed antwoord: PbI₂(s) ⇌ Pb²⁺(aq) + 2 I⁻(aq), [Pb²⁺] = s en [I⁻] = 2s, dus Ks = s × (2s)² = 4s³; s = (8,5·10⁻⁹ / 4)^(1/3) = (2,125·10⁻⁹)^(1/3) = 1,29·10⁻³, afgerond 1,3·10⁻³ mol L⁻¹ (twee keer nagerekend met Python). De Ks-waarde is een opgavegegeven. Verwachte fouten: s = √Ks = 9,2·10⁻⁵ (alsof het zout MX is zoals AgCl), s = Ks^(1/3) = 2,0·10⁻³ (de factor 4 vergeten), of [I⁻] = 2s = 2,6·10⁻³ als antwoord. Syllabus R&A1.6.
Ks = 5,0·10⁻⁶. 0,020 M CaCl₂ + NaOH 1:1: neerslag?
Goed antwoord: na mengen van gelijke volumes is [Ca²⁺] = 0,010 en [OH⁻] = 0,010 mol L⁻¹. Q = [Ca²⁺][OH⁻]² = 0,010 × (0,010)² = 1,0·10⁻⁶ < Ks = 5,0·10⁻⁶, dus geen neerslag (twee keer nagerekend met Python). Ca(OH)₂(s) ⇌ Ca²⁺(aq) + 2 OH⁻(aq) klopt (Ca 1, O 2, H 2, lading 0). Verwachte fouten: niet verdunnen (0,020 × 0,020² = 8,0·10⁻⁶ > Ks, dan wel neerslag) of de macht van OH⁻ vergeten (1,0·10⁻⁴). De Ks-waarde is een opgavegegeven. Syllabus R&A1.6.
Scheitrechter met olie boven en gekleurd water onder (foto: PRHaney, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Vraagtype 4: Kv en extractie
Kv = [X] in extractiemiddel / [X] in water; de opgave geeft Kv en de volumes.
Noem de hoeveelheid in het extractiemiddel y mol; in het water blijft n − y mol over.
Vul in: (y / V extractiemiddel) / ((n − y) / V water) = Kv en los y op.
Meerdere kleine porties halen meer X uit het water dan één grote met hetzelfde totale volume.
Image credit: PRHaney / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Kv = [X]extr / [X]water = 3,0; 4,0·10⁻³ mol X in 80,0 mL water, 20,0 mL extractiemiddel. X erin?
2,3·10⁻³ mol
3,0·10⁻³ mol
3,1·10⁻⁴ mol
1,7·10⁻³ mol
Syllabus R&A1.6: Kv; R&A2: extractie. Twee keer nagerekend met Python: (y / 20,0) / ((4,0·10⁻³ − y) / 80,0) = 3,0 geeft 4y = 3,0 (4,0·10⁻³ − y), dus 7y = 1,2·10⁻² en y = 1,71·10⁻³ mol (43%). Verwachte fouten: de volumes vergeten (y / (4,0·10⁻³ − y) = 3,0 geeft 3,0·10⁻³), de hoeveelheid die in het water blijft (2,3·10⁻³) noemen, of Kv omdraaien (3,1·10⁻⁴).
Kv = 3,0; 4,0·10⁻³ mol X in 80,0 mL water. Twee keer 10,0 mL extractiemiddel: totaal X erin?
1,7·10⁻³ mol
1,9·10⁻³ mol
2,2·10⁻³ mol
1,1·10⁻³ mol
Syllabus R&A1.6, R&A2. Twee keer nagerekend met Python: eerste portie 10,0 mL: (y / 10,0) / ((4,0·10⁻³ − y) / 80,0) = 3,0 geeft 8y = 3,0 (4,0·10⁻³ − y), y = 1,09·10⁻³ mol; in het water blijft 2,91·10⁻³ mol. Tweede portie: 8y = 3,0 (2,91·10⁻³ − y), y = 7,9·10⁻⁴ mol. Totaal 1,88·10⁻³ mol, dus 1,9·10⁻³ mol (47%). Eén portie van 20,0 mL geeft 1,7·10⁻³ mol (43%): twee kleine porties halen meer eruit. Verwachte fouten: de eerste portie twee keer tellen (2,2·10⁻³), alleen de eerste portie tellen (1,1·10⁻³), of denken dat het gelijk is aan één portie van 20,0 mL (1,7·10⁻³).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
K berekenen uit concentraties
Concentraties uit K (tabel en x)
Ks: oplosbaarheid en neerslag
Kv en extractie
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · EVENWICHT · REKENEN
Tips voor op het examen
Maak altijd een tabel, ook als de som eenvoudig lijkt; zo vergeet je de coëfficiënt niet.
Reken met mol L⁻¹: deel mol eerst door het volume, behalve als V toch wegvalt (evenveel mol links als rechts).
Staat er links en rechts een kwadraat, neem dan de wortel; anders gebruik je de abc-formule en kies je de positieve oplossing.
Bij Ks: verdun na het mengen, schrijf de machten uit en vergelijk Q met Ks.
This item has no instructions