Les 31 6 juni 2026 (VO2)

Les 31 6 juni 2026
1 / 48
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecondary Education

This lesson contains 48 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Les 31 6 juni 2026

Slide 1 - Slide

L31 Wat doen we vandaag? 

Welkom! 

1.  Interview: open vragen en gesloten vragen.
2. korte herhaling spelling meervoud. 
3. Apostrof en bezitsvorm: Nederlands en Engels. 
4. Lesafsluiting 

Slide 2 - Slide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Interview = vraaggesprek
Gesprek tussen twee of meer personen, waarbij één persoon meestal de vragen stelt en de ander antwoord geeft. 
  • beeld (YouTube, televisie,...)
  • geluid (Podcast, radio,...)
  • geschreven (krant, tijdschrift)

Het verschilt per nieuwssoort welke mensen interessant zijn om te interviewen. 


Slide 5 - Slide


Soorten vragen

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Soorten vragen
  • gesloten vraag (vaak een ja/nee-antwoord, kort. Begint vaak met persoonsvorm)
  • open vraag (vrij antwoord: begint vaak met 'hoe', 'waarom', 'wat')
  • vervolgvraag
  • controlevraag (dus je bedoelt.../als ik het goed begrijp zeg je...)



Slide 8 - Slide

Heb jij wel eens stiekem gerookt?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 9 - Quiz

Hoe laat ben je geboren?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 10 - Quiz

Wie is jouw held?
A
open vraag
B
gesloten vraag

Slide 11 - Quiz

Waarom is hij je held?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 12 - Quiz

Was je gisteren al om 12:00 uur vrij?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 13 - Quiz

Dus je bedoelt dat je zijn liedjes heel mooi vindt?
A
open vraag
B
gesloten vraag
C
vervolgvraag
D
controlevraag

Slide 14 - Quiz

Open maken
Je kunt van gesloten vragen ook open vragen maken, kijk maar:

Gesloten vraag: 
Gaat het goed met u? (Alles goed?)

Open vraag:
Hoe gaat het met u? (Hoe gaat het?)

Slide 15 - Slide

Maak van de volgende vraag een open vraag.

Vind je de nieuwste iPhone mooi?
timer
0:45

Slide 16 - Open question

Maak van de volgende vraag een open vraag.

Heb je gezien wat er zojuist bij de rotonde is gebeurd?
timer
0:45

Slide 17 - Open question

herhalen deel cursus 5 (Spelling)

Slide 18 - Slide

Hoe zat het ook alweer met: 
meervoud?

Slide 19 - Slide

hoe zit het ook alweer met woorden die eindigen op ee of ie?

Slide 20 - Open question

Woorden op ee of ie
Als het enkelvoud eindigt op ee of op een ie zet je 
ën achter het enkelvoud:
MAAR: de klemtoon moet dan wel op de laatste lettergeep liggen.
knie - knieën             MAAR          porie - poriën
idee - ideeën             MAAR          bacterie  - bacteriën
slee - sleeën              MAAR          kolonie  - koloniën

Slide 21 - Slide

meervoud van categorie
A
categorieën
B
categoriën
C
categories

Slide 22 - Quiz

Meervoud op: -en, -s of -eren
  •  verdubbel de laatste letter:                zak - zakken,       bal - ballen
nb. Bij een korte klinker waarop een klemtoon ligt. Niet bij bv. dreumesen

  • laat een a, e, o, of u weg:                       aap - apen, uur - uren 
  • voeg -eren toe :                                         kind - kinderen                                                                                                                             blad - bladeren (van bomen)
  • voeg een -s toe:                                        appels, klamboes

 

Slide 23 - Slide

meervoud van kalf
A
kalfen
B
kalven
C
kalveren
D
heeft geen meervoud

Slide 24 - Quiz

hoe zit het ook alweer met woorden die eindigen o, u, i, a, y?

Slide 25 - Open question

Woorden de eindigen op:     NB. Vanwege uitspraak!
o       u      i       a    y
schrijf een apostrof + s: 


               
oma  - oma' s                       maar:  douche  - douches
radio - radio' s                                   spray - sprays
ski - ski' s                                             Let dus op de uitspraak!!!!!
menu - menu' s
baby - baby' s                                    omas of oma's
                                                                 kiwis of kiwi's

                    

Slide 26 - Slide

meervoud van ski
A
skies
B
skis
C
ski's

Slide 27 - Quiz

Welke ander woorden krijgen een apostrof?

afkortingen en cijferwoorden krijgen een apostrof s:
DVD’s
737’s

Nb. In het Engels krijgen meervoud en afkortingen nooit een apostrof s. (umbrellas, babies, DVDs)

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Apostrof en bezitsvorm, Nederlands en Engels. 

van: https://hoezegjeinhetengels.nl/apostrof/

Slide 30 - Slide

Bezitsvorm

Slide 31 - Slide

Nederlands: 

Bij namen die eindigen op een sisklank: alleen een apostrof, géén extra s.

James’ avondeten

Marx’ avondeten
Engels: Bij woorden en namen die eindigen op s mag je kiezen, ofwel alleen een apostrof, ofwel een apostrof + s

James’ dinner
James’s dinner

Bij meervoud: alleen een apostrof
My parents’ dinner

Veelgemaakte fout:
Let op betekenisverschil:
The writers’ room (meerdere schrijvers)
The writer’s room (slechts één schrijver)

Slide 32 - Slide

Lesafsluiting
Volgende les gaan we naar de dierentuin. Jullie huiswerk voor deze week is: 

 Het huiswerk voor volgende week is: 
▪ Lees in je leesboek   
▪  Thema D (On)gezond § 4 Informerend filmpje: maak opdracht 1 en 2. 
▪  § 1 Herhaling leerjaar 1 hv: Maak opdracht 3 en 4.  
 


 

 

Tot volgende week op st Conleth's


  
  

Slide 33 - Slide

Diatoets - diatekst
Log in op: 
Ga dan naar www.diatoetsen.nl/inloggen 

en gebruik kleine letters bij je wachtwoord en gebruikersnaam.  


Slide 34 - Slide

Diataal toets: diaspel
- Ga naar www.diatoetsen.nl/login. Vul je gebruikersnaam in en je wachtwoord in - zie blad van diataal.
- Er staan 2 toetsen klaar: Diaspel (spelling/taal) & Diatekst (Begrijpend lezen)
- Start met "Diatekst" 

- Klaar met "diataal"? Klik op 'afsluiten' of 'afsluiten test' en: 

Slide 35 - Slide

Hoe zat het ook alweer met: 
verkleinwoorden?

Slide 36 - Slide

Etalage
A
Etalagetje
B
Etalage'tje
C
Etalageetje

Slide 37 - Quiz

Theorie (verkleinwoorden)
Van de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een verkleinwoord maken.

Meestal      =       -je of -tje achter het woord.
vakantie - vakantietje  
schaar - schaartje
dans - dansje

Slide 38 - Slide

Radio
A
Radiotje
B
Radio'tje
C
Radiootje

Slide 39 - Quiz

Soort woord met voorbeeld
  • Woorden met -m : boom

  • Woorden met een -ng            koning

  • Achteraan -a, -o, é of -u                 opa, auto, paraplu
Regel met voorbeeld
  • -pje  : boompje

  • -kje en de -g laat je weg
koninkje

  • extra klinker
opaatje, autootje,coupeetje

Slide 40 - Slide

Verdieping
A
Verdiepingtje
B
Verdiepingetje
C
Verdiepingke
D
Verdiepinkje

Slide 41 - Quiz

cd
A
cdtje
B
CeeDeetje
C
cd'tje

Slide 42 - Quiz

Soort woord met voorbeeld
  • Achteraan -y baby

  • Woorden met cijfers of afkorting dvd, A4

  • Woorden op i: kiwi

  • korte klanken -> soms lang
Regel met voorbeeld
baby'tje
  • -'je of -'tje

dvd'tje, A4'tje

  •  i verandert in ie: Kiwietje

  • blad - blaadje

Slide 43 - Slide

Pony
A
ponytje
B
ponietje
C
pony'tje
D
paardje

Slide 44 - Quiz

Menu
A
Menutje
B
Menuutje
C
Menu'tje
D
Menuu'tje

Slide 45 - Quiz

Soort woord met voorbeeld
  • Woorden met -m : boom

  • Woorden met een -ng            koning

  • Achteraan -a, -o, é of -u                 opa, auto, paraplu
Regel met voorbeeld
  • -pje  : boompje

  • -kje en de -g laat je weg
koninkje

  • extra klinker
opaatje, autootje,coupeetje

Slide 46 - Slide

Instructie
A
Instructietje
B
Instructieetje
C
Instructie'tje

Slide 47 - Quiz

Soort woord met voorbeeld
  • Achteraan -y baby

  • Woorden met cijfers of afkorting dvd, A4

  • Woorden op i: kiwi

  • korte klanken -> soms lang
Regel met voorbeeld
baby'tje
  • -'je of -'tje

dvd'tje, A4'tje

  •  i verandert in ie: Kiwietje

  • blad - blaadje

Slide 48 - Slide