Bijvoorbeeld. Drie zinnen over mijzelf:
1. Ik eet graag groente. Daarom neem ik elke dag soep mee naar school.
2. Ik sport 4x per week. Ik doe padel, want ik hou van spelen met een bal. En ik dans. Door al het sporten ben ik erg sterk.
3. Ik heb een kinderboek geschreven en de illustraties heeft mijn dochter gemaakt.
Overleg in tweetallen (1 minuut):
Welke zinnen zijn waar? En welke zin is niet waar?