3H Herhaling woordsoorten

Herhaling woordsoorten 
Herhaling jaar 1
Herhaling jaar 2
Betrekkelijk voornaamwoord jaar 3
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Herhaling woordsoorten 
Herhaling jaar 1
Herhaling jaar 2
Betrekkelijk voornaamwoord jaar 3

Slide 1 - Slide

Herhaling woordsoorten:
De uitleg van alle woordsoorten (grammatica) van jaar 1 en 2: 

* Staan in De Brug grammatica woordsoorten (onderste knopje) in online lesboek.

* Staan in De Brug grammatica woordsoorten vanaf blz. 263 in je papieren lesboek

Slide 2 - Slide

Herhaling woordsoorten jaar 1
Zelfstandig naamwoord (concreet/ abstract/ eigennaam)
Lidwoord (onbepaald/ bepaald)
Werkwoorden (zelfstandig ww en hulpwerkwoorden)
Bijvoeglijk naamwoord (+ stoffelijk bijvoeglijk naamwoord)
Aanwijzend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Voorzetsel
Bijwoord

Slide 3 - Slide

Herhaling woordsoorten jaar 1
Zelfstandig naamwoord (eigennaam/ concreet/ abstract)
Mens/ dier/ ding => je kunt er een lidwoord voorzetten. Ook namen horen erbij. 
Concrete zn kun je aanraken (tafel) en abstracte zn kun je niet aanraken (idee)
Lidwoord (onbepaald/ bepaald)
De-het-een. Lidwoorden staat ALTIJD voor zelfstandige naamwoorden. 'De + het' = bepaald en 'een' = onbepaald
Werkwoorden (zelfstandig werkwoorden en hulpwerkwoorden)
Er kan maar één zww in de zin staan (of een kww) en meerdere hww. In een wwg staat altijd een een zww en in een nwg staat altijd een kww. Het zww (of kww) staat meestal achteraan in de zin en geeft de zin de meeste betekenis. De rest ww zijn dan hww.
Onder de douche zou (hww) Noortje  altijd een liedje willen (hww) zingen (zww).'


Slide 4 - Slide

Herhaling woordsoorten jaar 1
Bijvoeglijk naamwoord (+ stoffelijk bijvoeglijk naamwoord)
Vertelt iets over het zelfstandige naamwoord (een mooi huis of het huis is mooi)
Een stoffelijk bn zegt waarvan iets is gemaakt/ materiaal (het stenen huis)
Aanwijzend voornaamwoord
Wijst een mens dier of ding aan: deze winkel - die jongen- dat boek- zulke fouten-dezelfde meisjes - hetzelfde kind
Vragend voornaamwoord
Vier stuks: Wie-wat-welk(e)- wat voor een. Staan meestal aan begin van vraag of zin die van vraag is afgeleid. 
'Wat heb jij voor het proefwerk geleerd?'
'Sabine vertelde me met wie zij naar het schoolfeest gaat.'


Slide 5 - Slide

Herhaling woordsoorten jaar 1
Voorzetsel 
Geeft vaak plaats, tijd of reden/ oorzaak aan. (aan-te-bij-op-na-tijdens-gedurende-vanwege-door-in-met-tussen-naast-over-uit)
Bijwoord
* Kan iets vertellen over een ww: Hij werkt slordig
* Kan iets vertellen over een bn: Die kleding is heel duur
* Kan iets vertellen over een ander bijwoord: Zij schrijft erg netjes
* Ontkenning: niet, nooit, geenszins
* Plaats/ richting: er, daar, hier, nergens, overal, waar, waarheen
* Tijd: gisteren, morgen, straks, vroeger, tegenwoordig, wanneer
* Zekerheid: absoluut, ongetwijfeld, vast, echt

Slide 6 - Slide

Is het volgende ZN concreet of abstract?

'Oorlog'
A
Concreet
B
Abstract

Slide 7 - Quiz

Benoem het woord:

'Ad is gaan VISSEN in België'
A
zww
B
hww

Slide 8 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'haar gouden haren waren PRACHTIG'
A
Bijwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk nw
D
Stoffelijk bn

Slide 9 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'WELKE toetsen hebben wij morgen?'
A
Aanwijzend vnw
B
Vragend vnw
C
Voorzetsel
D
Bijvoeglijk nw

Slide 10 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Ik heb weinig gedaan TIJDENS de vakantie'
A
Zelfstandig nw
B
Aanwijzend vnw
C
Bijwoord
D
Voorzetsel

Slide 11 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Ik zag EEN lange jongen langslopen'
A
Onbepaald lidwoord
B
Bepaald lidwoord

Slide 12 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'haar GOUDEN haren waren prachtig'
A
BN (stoffelijk)
B
BN
C
Bijwoord
D
Zelfstandig nw

Slide 13 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Dat is ABSOLUUT gevaarlijk!'
A
Bijvoeglijk nw
B
Zelfstandig nw
C
Bijwoord
D
Aanwijzend vnw

Slide 14 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Ik draag altijd schoenen van NIKE'
A
Bijvoeglijk nw
B
Bijvoeglijk nw stoffelijk
C
ZN eigennaam
D
Lidwoord

Slide 15 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'DAT is absoluut gevaarlijk!'
A
Vragend vnw
B
Aanwijzend vnw
C
Voorzetsel
D
Bijwoord

Slide 16 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Sander is HEEL lief!'
A
Voorzetsel
B
Bijvoeglijk nw
C
Zelfstandig nw
D
Bijwoord

Slide 17 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Hij fietst de berg OP'
A
Voorzetsel
B
Aanwijzend vnw
C
Bijwoord
D
Bijvoeglijk nw

Slide 18 - Quiz

Benoem de woordsoort:

'Moeder heeft dat niet WILLEN zien.
A
kww
B
zww
C
hww
D
bijwoord

Slide 19 - Quiz

Uitleg H1 Gram Woordsoorten
In papieren lesboek: vanaf blz. 30

Pak je boek erbij

Betrekkelijk voornaamwoord
Huiswerk = opdracht 1 tm 3 maken

Slide 20 - Slide

Bijvoeglijke bijzin is:
1. Deze nieuwe snelweg veroorzaakt geluidsoverlast.

2. Deze snelweg, die nieuw is, veroorzaakt geluidsoverlast

Slide 21 - Slide

Betrekkelijk vnw:
Bijvoeglijke bijzin begint vaak met betrekkelijk vnw
Betrekkelijk vnw wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd (antecedent)

die, dat, wie en wat


Slide 22 - Slide

Betrekkelijk vnw:
Betrekkelijk vnw wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd (antecedent)

'De reis, (die ik met vrienden maakte,) was heel leuk.'
Heb jij het nieuwe boek (dat ik jou aanraadde) al gelezen?
De docent (van wie wij wiskunde krijgen), is boos.
Er is iets (wat Daan dwarszit)


Slide 23 - Slide

Betrekkelijk vnw m.i.a.
Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent:

Wie (=degene die) nooit lacht, is saai.
Wat (=datgene wat) je gisteren deed, was stom

Slide 24 - Slide

Betrekkelijk vnw
die, dat, wie en wat
De-woorden => die =>  (de reis die mooi was)
Het-woorden=> dat => (het boek dat saai was)

Let op: die of dat kunnen ook aanwijzende vnw zijn. Raak niet in de war!  als je die/ dat kunt vervangen door deze/ dit, dan zijn het aanwijzende vnw!

Slide 25 - Slide

Betrekkelijk vnw 'wat'
Met het betrekkelijk vnw 'wat' verwijs je naar:
1. Een overtreffende trap:
Het allerlekkerste (wat ik ooit heb gehad) is Tiramisu
2. Woorden als: alles, enige, iets, niets, veel:
Alles (wat je wilt weten) kun je googelen.
3. Een hele zin:
De ouders van Isa laten haar vrij, wat zij erg waardeert.

Slide 26 - Slide

Verwijzen naar personen of dingen:
Voorzetsel + wie => personen
Meryam met wie ik naar school fiets

Waar + voorzetsel => dingen
De groene fiets, waarmee ik naar school fiets

Slide 27 - Slide

Aan de slag:

Huiswerk:
Lees theorie goed door op blz. 30 over betrekkelijk vnw
Maak opdracht 1 tm 3 van blz. 31 (H1 gram ws)
Leer woordsoorten jaar 1 (zie lesson up)
Lees in je leesboek

Slide 28 - Slide