1hv - Les 7 P3 - werkwoorden

   Deutsch! 
1hv
Les 7
Periode 3

Gutentag!
1 / 33
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

   Deutsch! 
1hv
Les 7
Periode 3

Gutentag!

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Leerdoelenkaart
Schritt 17 - 24
lezen, luisteren, spreken, schrijven

Jokers
 ein/eine  en de bezittelijk vnw
grote getallen
werkwoorden (met stam op -d of -t)



Slide 2 - Slide

Die Planung
Woche 12  Schritt 20 + 21
Woche 13 Schritt 22
Woche 14 Schritt 23 + 24
Woche 15 D-Prüfung
Woche 16 Prüfung

Slide 3 - Slide

Wiederholung

Slide 4 - Slide

Wiederholung
Elke toets komt er iets terug dat bij een eerdere toets hoorde...

want: je mag bij de talen nooit iets vergeten.
Er komt meer stof bij .... er gaat nooit iets af.
Stapelvak

Deze toets: haben en sein

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

 Hoofdletters in het Duits
  • Aan het begin van de zin. 
  • Namen: van bijvoorbeeld mensen, aardrijkskundige namen, maar ook van de dagen en maanden
  • zelfstandig naamwoorden

Slide 7 - Slide

het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 8 - Drag question

Het werkwoord sein.  
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind
sein
sein

Slide 9 - Drag question

Slide 10 - Slide

Grammatica- regel
Mannelijke woorden → ein                                ein Mann
Vrouwelijke woorden → eine                            eine Frau
Onzijdige woorden → ein                                ein Kind
Meervoudsvormen → keine                        keine Familie

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Waar is mijn tas?
A
Wie is mein Tasche?
B
Wer is seine Tasche?
C
Wie ist mein tasche?
D
Wo ist meine Tasche?

Slide 13 - Quiz

vorige Woche


Wie sieht dein Haus aus?

Slide 14 - Slide

Omschrijf deze overvaller
in het Duits.

Slide 15 - Open question

Schrijf het gestolen bedrag op:
984 Euro

Slide 16 - Open question

Schrijf het gestolen bedrag voluit:
300.000 Euro

Slide 17 - Open question

deze les....
Werkwoorden

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Welk ezelsbruggetje hoort ook alweer bij de uitgangen?
A
feesttenten
B
partytenten
C
circustenten
D
kampeertenten

Slide 20 - Quiz

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
wohnst
wohnt
wohnt
wohne
wohnen
wohnen

Slide 21 - Drag question

Vergelijk deze rijtjes met elkaar
ich (ik)
spiel
e
red
e
du (jij)
spiel
st
red
est
er/sie/es (hij/zij/het)
spiel
t
red
et
wir (wij)
spiel
en
red
en
ihr (jullie)
spiel
t
red
et
sie/Sie (zij/u)
spiel
en
red
en

Slide 22 - Slide

Wat is je opgevallen aan het rechter werkwoord (reden)?

Slide 23 - Open question

Werkwoorden met stam op -d/-t
Als de stam van een werkwoord op -d/-t eindigt, krijg je een extra -e- bij du, er/sie/es en ihr.
Dit geldt ook voor het voltooid deelwoord!

Bijvoorbeeld: 
- du antwortest (dus NIET antwortst)
- er meldet (dus NIET meldt)
- ihr chattet (dus NIET chattt)
- ich habe gechattet

Slide 24 - Slide

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
melden
meldet
meldest
meldet
melde
melden

Slide 25 - Drag question

Er (chatten) gern mit seinen Freunden.
A
chatte
B
chattt
C
chattet
D
chatten

Slide 26 - Quiz

Ihr (beantwoorden) die Frage
A
beantworten
B
beantwortt
C
beantworte
D
beantwortet

Slide 27 - Quiz

Du (melden) den Diebstahl.
A
meldst
B
meldest
C
meldet
D
meldt

Slide 28 - Quiz

Ihr (wonen) in einem schönen Haus.
A
wohnet
B
wohnt
C
wohnest
D
wohnst

Slide 29 - Quiz

Du (reden) ... zu laut!
Jij praat te luid!
A
redet
B
redest
C
redst
D
reden

Slide 30 - Quiz

Peter (warten) .... schon lange.
A
wartt
B
wartest
C
wartet
D
warten

Slide 31 - Quiz

Peter und Lisa (arbeiten) .... zusammen.
A
arbeitet
B
arbeitest
C
gearbeitet
D
arbeiten

Slide 32 - Quiz

Auf Wiedersehen!

Slide 33 - Slide