werkwoordspelling les 3

Les 3
P1 2019-2020
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Les 3
P1 2019-2020

Slide 1 - Slide

terugblik
We hebben de werkwoordspelling van de basisschool herhaald.

Slide 2 - Slide

Hoe schrijf je de pv in de tt goed?

(Twijfelen) niet aan jezelf!
A
Twijfel
B
Twijfelt
C
Twijfelen

Slide 3 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de tt goed?

Marly (zorgen) vaak voor het klassenboek.
A
zorg
B
zorgt
C
zorgen

Slide 4 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de tt goed?

De schoonmaaksters (stofzuigen) het vieze lokaal.
A
stofzuig
B
stofzuigt
C
stofzuigen

Slide 5 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de tt goed?

Hij (wennen) snel op de nieuwe school.
A
wen
B
went
C
wennen

Slide 6 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de tt goed?

Hij (onthouden) de woordjes nooit na één keer doorlezen.
A
onthoud
B
onthoudt
C
onthouden

Slide 7 - Quiz

Ik ....(verbreden) de weg. (pv vt)
A
verbrede
B
verbreedde
C
verbreede
D
verbredde

Slide 8 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de vt goed?

Michelle (leren) heel erg goed voor haar test.
___
A
leerde
B
leerdde

Slide 9 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de vt goed?

Mijn moeder (kaften) vorig jaar al mijn boeken voor mij.
___
A
kaftte
B
kaftten
C
kafte
D
kaften

Slide 10 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de vt goed?

Joost (vergeten) zijn bril mee te nemen.
___
A
vergeette
B
vergeetten
C
vergat
D
vergaten

Slide 11 - Quiz

Hoe schrijf je de pv in de vt goed?

In de zoektocht naar de schat (ontcijferen) de onderzoekers de geheime code.
___
A
ontcijferdden
B
ontcijferden

Slide 12 - Quiz

Het gebeur... regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
A
gebeurd
B
gebeurt
C
gebeurdt

Slide 13 - Quiz

Afgelopen weken (besteden) we veel tijd aan werkwoordspelling.
A
besteden
B
besteede
C
besteedden
D
besteeden

Slide 14 - Quiz

Vin.. jij werkwoordspelling moeilijk om te leren?
A
Vindt
B
Vind
C
Vint
D
Vintd

Slide 15 - Quiz

Weet je wel wat het beteken.... als je werkwoordspelling echt beheerst!
A
betekend
B
betekent
C
betekende
D
betekente

Slide 16 - Quiz

Is het ww tussen haakjes een vd of pv tt?

Door de hevige sneeuwval was het verkeer in het hele land danig [ontregeld].
A
vd
B
pv tt

Slide 17 - Quiz

Is het onderstreepte werkwoord de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt) of het voltooid deelwoord (vd)?

Dat is nog nooit gebeurd!
_______
A
pv tt
B
vd

Slide 18 - Quiz

Is het ww tussen haakjes een vd of pv tt?

De minister heeft in de krant [beweerd] dat de president zijn familie bevoordeelt.
A
vd
B
pv tt

Slide 19 - Quiz

Is het ww tussen haakjes een vd of pv tt?

Elke eerste vrijdag van de maand [vertelt] de docent Nederlands een spannend verhaal.
A
vd
B
pv tt

Slide 20 - Quiz

Is het onderstreepte werkwoord de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt) voltooid deelwoord (vd) of het onvoltooid deelwoord (od) ?

'Wat gebeurt daar achter in de klas?' vroeg de docent.
_______
A
pv tt
B
vd
C
od

Slide 21 - Quiz

Is het onderstreepte werkwoord de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt) voltooid deelwoord (vd) of het onvoltooid deelwoord (od) ?

Jeanine en Michelle ontvangen iedere week de Viva.
_________
A
pv tt
B
vd
C
od

Slide 22 - Quiz

Is het onderstreepte werkwoord de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pv tt) voltooid deelwoord (vd) of het onvoltooid deelwoord (od) ?

Lachend heb ik een nieuw boek besteld bij bol.com.
_______
A
pv tt
B
vd
C
od

Slide 23 - Quiz

Wanneer gebruik je het 'T exkofschip?

Er zijn meerdere antwoorden goed
A
Bij de verleden tijd en voltooid deelwoord
B
Als je in de VT niet hoort of je het met -te of -de moet schrijven
C
Als je het onderwerp zoekt
D
Om de PV te vinden

Slide 24 - Quiz

Aan de slag!
 Boek Op niveau Blok 1: spelling (blz 26) opdracht 2, 4, 5 en 6
havo (blz. 24) 22,25,26 en 28

Slide 25 - Slide