OPS Oefentoets

Oefentoets OPS 
Doelgroepbeschrijving naar ontwikkelingsfase > de baby (0-1,5 jaar) > de peuter (1,5 – 4 jaar) > het basisschoolkind: (4 – 12 jaar) - de kleuter (4 – 6 jaar) - het jonge schoolkind (6 – 9 jaar) - het oudere schoolkind (9 – 12 jaar) > de puber (12 – 16 jaar) > de adolescent (16 -21 jaar) > de volwassene: (21 – 65 jaar) - de jonge volwassene (21 – 40 jaar) - de middelbare leeftijd (40 – 45 jaar) - de vroege ouderdom (55 – 65 jaar) > de ouderdom (65 jaar en ouder)

1 / 49
next
Slide 1: Slide
Sport en BewegenMBOStudiejaar 2

This lesson contains 49 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Oefentoets OPS 
Doelgroepbeschrijving naar ontwikkelingsfase > de baby (0-1,5 jaar) > de peuter (1,5 – 4 jaar) > het basisschoolkind: (4 – 12 jaar) - de kleuter (4 – 6 jaar) - het jonge schoolkind (6 – 9 jaar) - het oudere schoolkind (9 – 12 jaar) > de puber (12 – 16 jaar) > de adolescent (16 -21 jaar) > de volwassene: (21 – 65 jaar) - de jonge volwassene (21 – 40 jaar) - de middelbare leeftijd (40 – 45 jaar) - de vroege ouderdom (55 – 65 jaar) > de ouderdom (65 jaar en ouder)

Slide 1 - Slide

Zet in de juiste volgorde, de baby: 

Tekst
Houdt het hoofd in balans
Rolt van buik naar rug. 
Tilt het hoofd langer op en draait het hoofd.
Staat alleen.
Saat met steun.
Zit met lichte steun. 
Kruipt op handen en knieën. 
Tilt het hoofd even op in buikligging. 
10 maanden
1 maand
3 maanden 
4 maanden
5 maanden
6 maanden
7/8 maanden
12 maanden
14 maanden
loopt zelfstandig

Slide 2 - Drag question

Fase van voltooiing 
Vroegtalige fase 
Differentiatiefase 
Voortalige fase 
1
1
2
1
3
1
4

Slide 3 - Drag question

Wat gebeurt er vooral in de motorische ontwikkeling van de baby?

Slide 4 - Open question

Cognitieve ontwikkeling: Wat is geen manier hoe een baby leert?
A
Ervaren
B
Herhalen
C
Imiteren
D
Herinneren

Slide 5 - Quiz

Sociaal-affectieve ontwikkeling:
Hoe herkent een baby zijn/haar moeder het best?

Slide 6 - Open question

Wat is grove motoriek?

Slide 7 - Open question

Als sportleider moet ik aansluiten op de rijke belevingswereld van de peuter
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quiz

Wat betekent 'egocentrisme'?

Slide 9 - Open question

Door te herhalen, ervaren en imiteren leert de baby, dit valt onder de:
A
Motorische ontwikkeling
B
Cognitieve ontwikkeling
C
Sociaal/affectieve ontwikkeling
D
Alle antwoorden zijn fout.

Slide 10 - Quiz

De hechting aan een stabiele, betrouwbare verzorger is belangrijk voor de .....................van de baby
A
Motorische ontwikkeling
B
Cognitieve ontwikkeling
C
Sociaal/affectieve ontwikkeling
D
Alle antwoorden zijn goed.

Slide 11 - Quiz

Zet in de juiste volgorde: 

Tekst
10 maanden
1 maand
3 maanden 
4 maanden
5 maanden
6 maanden
7/8 maanden
12 maanden
14 maanden
loopt zelfstandig

Slide 12 - Drag question

Wat weten we nog van de soc.-affectieve ontwikkeling van de peuter?

Slide 13 - Mind map

Noem naast "krassen ipv binnen de lijntjes kleuren" een ander voorbeeld van grove motoriek.

Slide 14 - Open question

Noem een voorbeeld hoe je inspeelt op de belevingswereld van de peuter in de gymles.

Slide 15 - Open question

Stelling 1: Veter strikken is fijne motoriek
Stelling 2: Een bal weg schoppen is fijne motoriek
A
Alleen stelling 1 is juist
B
Alleen stelling 2 is juist
C
Beide stellingen zijn juist
D
Beide stellingen zijn onjuist

Slide 16 - Quiz

Wanneer zijn kinderen 'schoolrijp'?

Slide 17 - Mind map

Wat ontwikkelt zich allemaal op sociaal-affectief gebied bij kleuters?

Slide 18 - Mind map

Wat is geen kenmerk binnen de cognitieve ontwikkeling van kleuters?
A
Concreet denken
B
Taalontwikkeling in de richting van volledige zinnen maken?
C
Abstract denken
D
Fantasie

Slide 19 - Quiz

Kleuter
Peuter
Baby
Lengtegroei + spiermassa
Voornamelijk breedtegroei
Lichaamsverhouding wordt harmonieuzer

Slide 20 - Drag question

In welke fase van taalontwikkeling zitten de peuter en de kleuter?

Slide 21 - Open question

Wat is geen sociaal-affectieve ontwikkeling?
A
Eigen identiteit ontwikkelen
B
Lust gekoppeld aan zindelijk worden
C
Leren via de tast
D
Zintuigelijk genot

Slide 22 - Quiz

Wat is abstract denken precies?
A
Een grote fantasiewereld creëren en dat voor waar zien.
B
Wat je niet ziet, bestaat niet. Weg = weg.
C
Dingen die niet direct waarneembaar zijn toch goed in kunnen schatten.
D
Alle 3 de antwoorden zijn waar.

Slide 23 - Quiz

Wat is geen motorische ontwikkeling van het jonge schoolkind?
A
Eleganter gaan bewegen
B
Speelgedrag gericht op constructies
C
Prestatie leveren wordt belangrijker
D
Melkzuursysteem matig ontwikkeld

Slide 24 - Quiz

Noem een voorbeeld van de cognitieve ontwikkeling van het jonge schoolkind:

Slide 25 - Open question

Waarom zijn succeservaringen en positief coachen belangrijk?

Slide 26 - Open question

Wanneer het oudere basisschoolkind nadenkt over de toekomst en of maatschappelijke problemen, dan noemen we dat:
A
Negatief zelfbeeld
B
Reflecteren
C
Vergelijken
D
Identificeren

Slide 27 - Quiz

Luister
Norm
Waarde
handelen uit liefde 
Elkaars bezit respecteren
We hebben respect voor elkaars geloofsovertuiging 
Je staat op voor ouderen en zwangere vrouwen in het openbaar vervoer.
Geduld en respect
Behulpzaamheid

Slide 28 - Drag question

Bewegen bij de baby gebeurt in de eerste instantie reflexmatig, onder welke invalshoek valt deze ontwikkeling?
A
Motorische ontwikkeling
B
Cognitieve ontwikkeling
C
Sociaal/affectieve ontwikkeling
D
Alle antwoorden zijn fout.

Slide 29 - Quiz

De hechting aan een stabiele, betrouwbare verzorger is belangrijk voor de .....................van de baby
A
Motorische ontwikkeling
B
Cognitieve ontwikkeling
C
Sociaal/affectieve ontwikkeling
D
Alle antwoorden zijn goed.

Slide 30 - Quiz

Wat is geen motorische ontwikkeling van het jonge schoolkind?
A
Eleganter gaan bewegen
B
Speelgedrag gericht op constructies
C
Prestatie leveren wordt belangrijker
D
Melkzuursysteem matig ontwikkeld

Slide 31 - Quiz

Wat is geen sociaal-affectieve ontwikkeling?
A
Eigen identiteit ontwikkelen
B
Lust gekoppeld aan zindelijk worden
C
Leren via de tast
D
Zintuigelijk genot

Slide 32 - Quiz

Wat is abstract denken precies?
A
Een grote fantasiewereld creëren en dat voor waar zien.
B
Wat je niet ziet, bestaat niet. Weg = weg.
C
Dingen die niet direct waarneembaar zijn toch goed in kunnen schatten.
D
Alle 3 de antwoorden zijn waar.

Slide 33 - Quiz

Wat is grove motoriek?
A
tekenen
B
schrijven
C
rennen
D
knippen

Slide 34 - Quiz

Als sportleider moet ik aansluiten op de rijke belevingswereld van de peuter
A
Waar
B
Niet waar

Slide 35 - Quiz

Stelling 1: Veter strikken is fijne motoriek
Stelling 2: Een bal weg schoppen is fijne motoriek
A
Alleen stelling 1 is juist
B
Alleen stelling 2 is juist
C
Beide stellingen zijn juist
D
Beide stellingen zijn onjuist

Slide 36 - Quiz

Een peergroup kan een grotere invloed hebben dan ouders.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 37 - Quiz

1. Norm: Als iemand geld pint uit een
pinautomaat, hou je afstand.
2. Waarde: Respect voor privacy.
A
Stelling 1 is juist
B
Stelling 2 is juist
C
Beide stellingen zijn juist.
D
Beide stellingen zijn onjuist.

Slide 38 - Quiz

Maak voor jezelf 2 rijtjes.
Wat kost jou energie, en wat geeft jou energie??

Slide 39 - Open question

Wat zijn de belangrijkste sociaal affectieve ontwikkelingen bij de jong volwassenen?
A
Eerste levensevaluatie , midlifecrisis , ouderschap
B
Aangaan vaste relatie, ouderschap, vaste werkkring
C
Toename probleemdrinkers, aangaan van een vaste relatie, vaste werkkring
D
Aangaan vaste relatie, midlifecrisis, vaste werkkring

Slide 40 - Quiz

Wanneer je jong volwassen bent val je binnen de leeftijdscategorie:
A
18 tot 21 jaar
B
21 tot 40 jaar
C
40 tot 55 jaar
D
alle antwoorden zijn juist.

Slide 41 - Quiz

Wat was abstract denken ook alweer?
Geef hierbij een voorbeeld uit de praktijk.

Slide 42 - Open question

De jongvolwassenheid wordt ook wel 'het spitsuur van het leven' genoemd, wat is de meest voorkomende psychische stoornis in deze leeftijdsfase en hoe kenmerkt zich dit?

Slide 43 - Open question

Als sportcoördinator moet je wat met de sportprestatie mensen van middelbare leeftijd. Namelijk...
A
Remmen!
B
Beperken
C
Niet onderschatten
D
Uitdagen tot de top.

Slide 44 - Quiz

Leg uit in jouw woorden wat er bedoeld wordt met de meno/ penopauze en midlifecrisis bij mannen en vrouwen ??

Slide 45 - Open question

Wat moet je vooral niet vergeten bij het lesgeven aan 'ouderen'
A
Dat ze plezier moeten hebben!
B
Dat ze kunnen aangeven wat ze wel en niet kunnen.
C
Dat ze meer kunnen dan je denkt.
D
Bovenstaande antwoorden zijn juist.

Slide 46 - Quiz

Wat bedoelen we met het lege-nestsyndroom?

Slide 47 - Open question

In welke 3 fasen wordt de volwassenheid verdeeld en welke leeftijden hanger hieraan?

Slide 48 - Open question

De cognitieve ontwikkeling bij adolescentie verloopt in een snel tempo. De hersenen zijn rond hun 21e levensjaar vrijwel helemaal volgroeid. Er vinden hierbij 4 grote veranderingen plaats. Benoem deze 4.

Slide 49 - Open question