9A Blok 8, Thema 1 - week 3 les 12 spreekwoorden en uitdrukkingen in woordenboek










Doel: het verschil tussen letterlijk en figuurlijk leren.


"André heeft vaak ochtenddienst, daarom gaat hij altijd met de kippen op stok."
Beeldspraak
1 / 26
next
Slide 1: Slide
SpellingBasisschoolGroep 7,8

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson










Doel: het verschil tussen letterlijk en figuurlijk leren.


"André heeft vaak ochtenddienst, daarom gaat hij altijd met de kippen op stok."
Beeldspraak

Slide 1 - Slide

Welke zin bevat beeldspraak?
A
Welke spullen zitter en in je tas?
B
Je tas is zo licht als een veertje!
C
Volgens mij ben jij je boeken vergeten!

Slide 2 - Quiz

BEELDSPRAAK IS FIGUURLIJK TAALGEBRUIK

Beeldspraak betekent dat je iets uitlegt met een beeld.
Je gebruikt dan woorden die je niet letterlijk, maar figuurlijk bedoelt.

Slide 3 - Slide

lesdoel
Ik leer hoe ik uitdrukkingen en spreekwoorden kan opzoeken in een woordenboek.

Slide 4 - Slide

Beeldspraak
‘David was zo moe als een hond. Hij lag ziek op bed. Opeens kwam zijn moeder binnen. Hij schrok zich een hoedje!’

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

LETTERLIJK


- precies zoals het geschreven is

FIGUURLIJK


- bij wijze van spreken


- er wordt iets anders bedoeld dan er eigenlijk staat


- ook wel beeldspraak genoemd

Slide 7 - Slide

Helaas kwam er geen kip naar de gratis tennisles


LETTERLIJK

Er kwamen geen kippen naar de gratis tennisles



Helaas kwam er geen kip naar de gratis tennisles


FIGUURLIJK

Er kwam helemaal niemand naar de gratis tennisles

Slide 8 - Slide

spreekwoord
uitdrukking

Slide 9 - Slide

Leg in je eigen woorden uit wat beeldspraak is.





















































Slide 10 - Open question

'Mijn maag knort van de honger.'

Welk woord is figuurlijk gebruikt?





























































































































































































































































































A
maag
B
knort
C
honger

Slide 11 - Quiz

Fien trekt haar nieuwe schoenen aan.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 12 - Quiz

Dylano is een boom van een vent.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 13 - Quiz

Zij is het zonnetje in huis.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 14 - Quiz

De meester struikelde over zijn veter.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 15 - Quiz

Welke zin is figuurlijk?
A
Hij werkt als een paard.
B
Hij rijdt op zijn paard.

Slide 16 - Quiz

Welke zin is figuurlijk?
A
Hij draagt de plank.
B
Hij slaat de plank mis.

Slide 17 - Quiz

Welke zin is figuurlijk?
A
Ik kan geen goede knoop maken.
B
Ik kan er geen touw aan vastknopen.

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Slide

na regen kmt zon
na een vervelende tijd krijg je altijd weer een leuke tijd.
bladzijde 431

Slide 20 - Slide

na regen kmt zon
snel beledigd zijn
bladzijde 516

Slide 21 - Slide

Op welk trefwoord van de uitdrukking ga jij eerst zoeken
blz. 442 - rol
A
de
B
rol
C
rollen
D
omdraaien

Slide 22 - Quiz

Op welk trefwoord van de uitdrukking ga jij eerst zoeken
blz. 410
Je verwijt vaak een ander wat jij zelf niet goed doet.
A
pot
B
verwijt
C
ketel
D
zwart

Slide 23 - Quiz

Wat betekent deze uitdrukking, zoek het op!
zoek op
blz. 492

Slide 24 - Open question

Wat betekent deze uitdrukking, zoek het op!
zoek op
blz. 52

Slide 25 - Open question

Snappet
Taal
Thema 1-Week 3-Les 12
eerst opgave 3
daarna opgave 2
Klaar: plussen

Slide 26 - Slide