POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Examentraining
Populaties en genetische variatie: zo pak je examenvragen aan
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Examentraining
Populaties en genetische variatie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rasheedhrasheed / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over genetische variatie in populaties beantwoorden: allelfrequenties berekenen, Hardy-Weinberg toepassen, een grafiek lezen en een situatie verklaren.
This item has no instructions
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: aantallen, een frequentie, een grafiek of een situatie?
2. Zoek: gaat het om allelfrequenties, genotypefrequenties of om een proces zoals drift?
3. Reken of verbind: gebruik p + q = 1 en p² + 2pq + q² = 1, of leg het verband met een omdat.
4. Controleer: komen de frequenties samen op 1 en past het antwoord bij de situatie?
This item has no instructions
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Vraagtype 1: allelfrequenties berekenen
Tel de allelen: elk individu heeft twee allelen van het gen.
AA telt twee keer A, Aa telt één A en één a, aa telt twee keer a.
Deel het aantal keer dat het allel voorkomt door het totaal aantal allelen.
Controleer met p + q = 1.
This item has no instructions
Een populatie telt 20 AA, 50 Aa en 30 aa. Wat is de frequentie van A?
0,20
0,55
0,45
0,70
Allelen A: 2 x 20 + 50 = 90 van 200 allelen, dus 0,45. Controle: a is 2 x 30 + 50 = 110 van 200, dus 0,55, en samen 1. Verwachte fout: 0,70 (alle individuen met een A, (20 + 50) : 100) of 0,20 (de genotypefrequentie van AA).
De frequentie van a is 0,3. Hoe groot is A?
p + q = 1, dus p = 1 - 0,3 = 0,7. Verwachte fout: 0,3 herhalen of 0,07 invullen.
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Vraagtype 2: rekenen met Hardy-Weinberg
Zoek wat gegeven is: q² (het aandeel aa) of de allelfrequentie p of q.
Van q² naar q: neem de wortel. Daarna is p = 1 - q.
Bereken dan p², 2pq of q² voor de genotypefrequenties.
Controleer of AA + Aa + aa samen 1 is.
This item has no instructions
In Hardy-Weinberg-evenwicht is 1 op 100 mensen aa. Hoeveel dragers per 100?
18 dragers
10 dragers
9 dragers
20 dragers
q² = 1 : 100 = 0,01, dus q = 0,1 en p = 0,9. Dragers zijn Aa: 2pq = 2 x 0,9 x 0,1 = 0,18, dus 18 per 100. Controle: 0,81 + 0,18 + 0,01 = 1. Verwachte fout: 10 (q zelf) of 9 (pq zonder 2) of 20 (2q).
Bij willekeurige paring is A 0,8 en a 0,2. Welk deel is AA na één generatie?
0,32
0,16
0,80
0,64
AA = p kwadraat = 0,8 x 0,8 = 0,64. Verwachte fout: 0,80 (p zelf) of 0,32 (2pq, de heterozygoten).
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Vraagtype 3: een grafiek lezen
Lees de assen: de frequentie van allel A tegen de generatie.
Let op welke lijn welke populatie is en lees de waarde bij het juiste punt af.
Het verschil is de eindwaarde min de beginwaarde.
Een lijn die sterk verandert past bij toeval in een kleine populatie, een bijna vlakke lijn bij weinig verandering.
This item has no instructions
In welke populatie veranderde A van generatie 0 tot 6 het sterkst?
Populatie R: 0,50 afgenomen
Populatie R: 0,50 toegenomen
Populatie S: 0,10 toegenomen
Populatie S: 0,50 toegenomen
R gaat van 0,5 naar 1,0: 0,5 toegenomen. S gaat van 0,5 naar 0,6: 0,1 toegenomen. Verwachte fout: de richting verwisselen omdat R eerst daalt, of de waarde van S verkeerd aflezen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Met hoeveel nam A in populatie R toe tussen generatie 3 en 5?
0,40
0,20
0,60
0,80
Generatie 3 is 0,4 en generatie 5 is 0,8: 0,8 - 0,4 = 0,4. Verwachte fout: 0,8 (de waarde in generatie 5), 0,2 (alleen generatie 3 naar 4) of 0,6 (generatie 3 naar 6). Image credit: Eigen schema, LessonUp
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Vraagtype 4: een situatie verklaren
Bepaal eerst wat er gebeurde: een klein begin, een ramp, een scheiding of uitwisseling?
Koppel dat aan het begrip: stichtereffect, flessenhalseffect, isolatie of gene flow.
Leg uit wat er met de allelfrequenties en de genetische variatie gebeurt.
Verbind oorzaak en gevolg met het woord omdat.
This item has no instructions
Een groepje vogels vestigt zich op een eiland. Waarom is daar minder variatie?
Er is veel gene flow met het vasteland gekomen
Op een eiland ontstaan geen mutaties
De stichters hebben maar een deel van de allelen
De vogels paren er niet willekeurig
De stichters brengen maar een deel van de allelen van de oorspronkelijke populatie mee. Verwachte fout: gene flow noemen; die zou de variatie juist vergroten.
Een rivier scheidt twee muizenpopulaties. Wat verwacht je na vele generaties?
De populaties gaan steeds meer op elkaar lijken
De populaties gaan steeds meer verschillen
De populaties blijven door gene flow even gelijk
De genenpools smelten samen tot één genenpool
Zonder gene flow krijgt elke populatie eigen mutaties en eigen drift, dus de allelfrequenties gaan uit elkaar lopen. Verwachte fout: denken dat de populaties gelijk blijven omdat ze van dezelfde soort zijn.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Allelfrequenties berekenen
Rekenen met Hardy-Weinberg
Een grafiek lezen
Een situatie verklaren
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld uit de uitleg.
POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE
Tips voor op het examen
Elk individu heeft twee allelen van een gen: tel bij allelfrequenties altijd per allel, niet per individu.
Bij Hardy-Weinberg begin je bij q²: het aandeel aa is het enige genotype dat je aan het fenotype ziet.
p + q = 1 en p² + 2pq + q² = 1: controleer elke uitkomst hiermee.
Bij een grafiek: lees de waarde af en reken met het verschil.
This item has no instructions