TU/e Beginners II Les 1




Dutch for beginners II
Les 1


Welkom
Elise 
woensdag 4 februari 2026
1 / 34
next
Slide 1: Slide
NT2WOStudiejaar 1

This lesson contains 34 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson




Dutch for beginners II
Les 1


Welkom
Elise 
woensdag 4 februari 2026

Slide 1 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Belangrijk
Important to know

  • 75% aanwezigheid (attendance at lessons for master and bachelor students).
  • At the end of the course you will make a test @ TU/e.
  • Send 6 chapters to the teacher (Canvas).

Slide 2 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Deze les (This lesson)

  • Kort kennismaken en jezelf voorstellen.
  • dialoog h.9
  • grammatica: 'zijn aan het'  + inf.
                          ' subordinate clause' 
                          ' polite question' 
  • luisteren
  • spreken
  • lezen



Slide 3 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Kort kennismaken en jezelf voorstellen.




  • Hoe heet je?
  • Waar kom je vandaan?
  • Welke talen spreek je?
  • Wat studeer je?
  • Wat doe je voor werk?
  • Wat doe je in je vrije tijd?

Slide 4 - Slide

TU/e Beginners I les 1

Slide 5 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Dialoog h. 9

Slide 6 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Dialoog h. 9

Wat bestellen Kevin en Marina voor drinken?

Wat wil Marina graag eten als hoofdgerecht?

Wat wil Kevin graag eten als hoofdgerecht?

Slide 7 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Lesdoelen
After this chapter you can:

  • order in a bar
  • make a reservation at a restaurant
  • talk about food and drinks.
After this chapter you can:

  • bestellen in een cafe
  • reserveren in een restaurant.
  • praten over eten en drankjes.

Slide 8 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 1 Maak de opdracht 

1. Ik ga nooit / soms / vaak uit eten in een restaurant.
2. Ik eet graag Nederlands / Frans / Aziatisch / eten.
3. Bij het eten drink ik meestal wijn / bier / frisdrank / niets.
    etc.


Bespreek de antwoorden met een andere cursist.
p.102

Slide 9 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 2 Wie zegt wat? 

1. Kunnen we bestellen?
2. Wilt u de menukaart?
3. Heeft het gesmaakt? etc.

p.102
ober / serveerster
klant

Slide 10 - Slide

TU/e Beginners I les 1

Slide 11 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 3 Voer een gesprek. Werk in drietallen.

Cursist A = ober / serveerster
Cursist B en C zijn de klanten.

Gebruik de zinnen van oefening 2 en de menukaart op p. 103.
p.103

Slide 12 - Slide

TU/e Beginners I les 1

Slide 13 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 4


Luister naar de dialoog en vul in.


Tijd: ______________________________
Aantal personen: ____________________
Telefoonnummer: ____________________


Lees de tekst op p. 127

p.103
h.9 oefening 4

Slide 14 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 6

Praat met een medecursist over eten. Wat is jouw favoriete menu? 
Wat vind je lekker en wat niet?
 
  • Gebruik de comparatief.
     Ik vind vlees lekkerder dan vis.
  • Gebruik woorden als: 
    heel / een beetje / niet zo /
    niet / helemaal niet
p.105
adjective
comparative
nieuw
nieuwer (dan)
klein
kleiner (dan)
goedkoop
goedkoper (dan)
duur
duurder (dan)
lekker
lekkerder dan

Slide 15 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 7

 Luister naar de docent. Let op de uitspraak van ' hij'.

1. Heeft hij al besteld?
2. Morgen gaat hij vast uit eten.                                         
3. Hij heeft vis genomen.
4. Weet hij al wat hij wil eten?
5. Hij kan goed koken.
6. Komt hij hier iedere dag?
p.105
 hij-ie
begin van de zin.

Slide 16 - Slide

TU/e Beginners I les 1


singular

Kan ik wat bestellen?                           (possibility)
Mag ik wat bestellen?                           (permission)

Kun je de menukaart  vragen?
Wil je de menukaart  vragen?               (willingness)


Zonder zou / zouden

Slide 17 - Slide

TU/e Beginners I les 1
plural


Kunnen wij  betalen?
Mogen wij betalen?

Kunnen jullie een tafeltje reserveren?
Willen jullie een tafeltje reserveren?

Slide 18 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 8

Maak een beleefde vraag. Gebruik zou / zouden. Reageer op de vraag van je medecursist.

cursist A
fiets lenen
raam opendoen
menukaart zien
afrekenen
Cursist B
vraag stellen
pen lenen
tafel reserveren
betalen

Slide 19 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 11

Luister naar de dialoog en beantwoord de vragen

1. Anna gaat uit eten met een vriendin.            
2. Frank is ober.                                                  
3. Anna wil spaghetti bolognese eten.              
4. Anne gaat rode wijn drinken.                         
5. Anne heeft om 20.00 uur afgesproken?        
6. Tim mag mee.  
                                             
Lees de tekst op p. 127

p.106
h.9 oefening 11
waar / niet waar
waar / niet waar
waar / niet waar
waar / niet waar
waar / niet waar
waar / niet waar

Slide 20 - Slide

TU/e Beginners I les 1
appendix 3 
p.140

Slide 21 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Sentences met 'dat


first sentence
/main clause
dat
second sentence/
subordinate clause
Hij zegt
dat
hij een biefstuk wil.
Ik denk
dat
ik morgen met mijn vriend ga eten.
Ze vinden
dat
het restaurant niet zo goed is.
Wij geloven
dat
de obers hier hard moeten werken.

Slide 22 - Slide

TU/e Beginners I les 1
oefening 9


Stel elkaar vragen. Gebruik de comparatief. Geef antwoord met dat.

Gebruik:
Ik denk dat...
Ik vind dat....
Ik geloof dat....

A. : Wat kook je sneller, een ei of aardappelen?
B. : Ik denk dat je sneller een ei kookt dan aardappelen.
p.105/106

Slide 23 - Slide

TU/e Beginners I les 1
zijn + aan het + infinite verb


  • It expresses that something is in progress at the moment 
  • comparable to to be + -ing in English (present continuous).

Ik ben een boek  aan het lezen   
Zij zijn aan het fietsen                 
Hij is aan het wandelen             



I am reading a book
They are cycling
He is walking

Slide 24 - Slide

TU/e Beginners I les 1
zijn + aan het + infinite verb


zijn
aan het
infinite verb
Wat ben je
aan het
doen?
Ik ben een boek
aan het
lezen.

Slide 25 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 12  Wat ben ik aan het doen?

Kies een activiteit. de andere raad de activiteit.

  • een banaan eten
  • boodschappen doen 
  • een ei bakken 
  • een glas wijn drinken
  • de afwas doen
  • de rekening vragen
p.107
  • een ijsje eten
  • wachten 
  • telefoneren
  • de ober roepen.
  • jas uittrekken
  • proosten

Slide 26 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 13 


Lees de tekst en combineer de zinnen.
p.107

Slide 27 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Oefening 14 


Kijk naar de woordenlijst en onderstreep de werkwoorden waar je 'zijn aan het'  voor kunt zetten.
p.107

Slide 28 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Huiswerk (Homework)

  • Consolidation chapter 9
  • Test chapter 9
  • Preparation chapter 10

Slide 29 - Slide

TU/e Beginners I les 1

Slide 30 - Slide

TU/e Beginners I les 1


singular

Zou ik wat kunnen bestellen?              (possibility)
Zou ik wat mogen bestellen?               (permission)

Zou je de menukaart kunnen vragen?
Zou je de menukaart willen vragen?     (willingness)


Zou(den)

Slide 31 - Slide

TU/e Beginners I les 1


singular

Zou ik wat kunnen bestellen?              (possibility)
Zou ik wat mogen bestellen?               (permission)

Zou je de menukaart kunnen vragen?
Zou je de menukaart willen vragen?     (willingness)


Zou(den)

Slide 32 - Slide

TU/e Beginners I les 1
plural


Zouden wij kunnen betalen?
Zouden wij mogen betalen?

Zouden jullie een tafeltje kunnen reserveren?
Zouden jullie een tafeltje willen reserveren?

Slide 33 - Slide

TU/e Beginners I les 1
Zou / zouden
wat
Zou ik
kunnen
mogen
infinite verb?
Zou je/jij/u
kunnen
willen
infinite verb
Zouden we/wij
kunnen
mogen
infinite verb
Zouden jullie
kunnen
willen
infinite ver?

Slide 34 - Slide