ISK-Y - Vergrotende trap

1 / 32
next
Slide 1: Video
NT2Middelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Video

Planning 
Eerst:
- Samen (les over trappen van vergelijking) (via LessonUp)

Daarna:
- Groep thema 1: Oefentekst (lezen) thema 1 maken
- Groep thema 2: Zelfstandig verder met thema 2

Slide 2 - Slide

de trappen van vergelijking 

Slide 3 - Slide

    klein, kleiner - groot, groter
Als je mensen of dingen wilt vergelijken, zet je meestal -er achter het woord:
klein - kleiner
groot - groter
dik - dikker
mooi - mooier 

Slide 4 - Slide

Woorden die op een -r eindigen?

Deze woorden krijgen -der achter het woord:

lekker - lekkerder
duur - duurder
zwaar - zwaarder

Slide 5 - Slide

Let op!
Er zijn ook onregelmatige woorden:
        graag  - liever  
        goed   - beter 
        veel     - meer   
       weinig - minder 

Deze woorden moet je dus uit je hoofd leren!

Slide 6 - Slide

Je vergelijkt twee mensen of dingen
-> dan


Omar is ouder dan  mijn broer.
Mijn auto is mooier dan  jouw auto. 
Ik ben langer dan jij.
Maria is jonger dan ik.

Slide 7 - Slide

De vergrotende trap krijgt dus -er
kort - korter
lang -  langer

let op:
slim - slimmer
let op:
groot - groter

Slide 8 - Slide

De groene jurk is mooi, maar de zwarte jurk is ________.

Slide 9 - Open question

James is ______ dan Blazej.
(groot)

Slide 10 - Open question

De tafel is zwaar, maar de kast is ______.

Slide 11 - Open question

Zelf zinnen maken
Gebruik een vergelijking en het woordje dan.
Bijvoorbeeld: 
mijn fiets - jouw fiets

Mijn fiets is groter dan jouw fiets. 

Slide 12 - Slide

mijn telefoon - jouw telefoon

Slide 13 - Open question

een kast - een pen

Slide 14 - Open question

rood - geel

Slide 15 - Open question

koekjes - fruit

Slide 16 - Open question

Slide 17 - Slide

Het leukst
Weet je het nog?
  • Je kunt mensen en dingen vergelijken door de vergrotende trap: Kees is langer dan Jan.

  • Je kunt ook op een andere manier vergelijken: met de overtreffende  trap:
     Nederlanders zijn het langst.

Slide 18 - Slide

'Het' ervoor en '-st' erachter
Nog een paar voorbeelden:
  • Klein - kleiner - het kleinst
  • Groot - groter - het grootst
  • Stil -stiller - het stilst
  • Donker - donkerder - het donkerst

Slide 19 - Slide

Deze regel geldt ook bij de onregelmatige woorden:

graag     -   liever        -     het liefst
goed      -   beter        -     het best
veel        -   meer        -     het meest
weinig   -   minder    -      het minst

Slide 20 - Slide

groot - groter - grootst
  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.
  4. Ik ben groter dan jij (bent).
  5. Jij bent even groot als ik (ben).


Slide 21 - Slide

Dit is een voorbeeld.

Schrijf de trappen van vergelijking van:
klein

klein -  kleiner - het kleinst

Slide 22 - Slide

Schrijf de trappen van vergelijking op van: leuk

Slide 23 - Open question

Schrijf de trappen van vergelijking op van: gek

Slide 24 - Open question

Welk woord is de vergrotende trap van 'goed'?
A
goed
B
beter
C
best

Slide 25 - Quiz

Wat is de overtreffende trap van 'klein'?
A
kleiner
B
kleine
C
het kleinst
D
meer klein

Slide 26 - Quiz

Welk woord is de vergrotende trap van 'snel'?
A
snel
B
snelst
C
sneller

Slide 27 - Quiz

Wat is de vergrotende trap van 'duur'?
A
duur
B
duurder
C
duurst

Slide 28 - Quiz

Wat is de vergrotende trap van 'lief'?

Slide 29 - Open question

Wat is de vergrotende trap van 'groot'?

Slide 30 - Open question

Wat is de vergrotende trap van stoer?

Slide 31 - Open question

Wat vond je van deze les? :-)
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Poll