4.3 Beenverbindingen Vwo

THEMA 4
Stevigheid en beweging

Les 4

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 28 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

THEMA 4
Stevigheid en beweging

Les 4

Inhoud

  • Planning komende periode

  • Opdracht(en) bespreken

  • Herhaling BS 4.2

  • Uitleg BS 4.3

  • Aan de slag

  • Afsluiting

Planning tot aan de beoordelingsweek (Vwo)

Week 36 -> Introductie

Week 37 -> Basisstof 1

Week 38 -> Basisstof 2

Week 39 -> Basisstof 3

Week 40 -> Basisstof 4 + Basisstof 5

Week 41 -> Basisstof 6 + Herhalen basisstof 1 + 2 + 3

Week 42 -> SO bs 1/2/3 + basisstof 7

Week 43 -> Herfstvakantie

Week 44 -> Basisstof 8 + Voorbereiden repetitie/so bespreken

Week 45 -> Afronden/herhalen + wo 4 november start toetsweek

Opdracht 8

Het percentage kalkzouten en het percentage collageen in botweefsel veranderen tijdens het leven.

a. In welk van de diagrammen van afbeelding 5 wordt dit het best weergegeven?

  • Diagram 3

b. Waardoor breken ouderen gemakkelijker een heup dan jongeren?

  • Bij het ouder worden neemt de hoeveelheid collageen (lijmstof) in beenweefsel af. Botten worden daardoor minder buigzaam en breken gemakkelijker.

Opdracht 8+ (blz 20)

Aan de uiteinden van de meeste botten zit bij kinderen een schijfvormig stukje kraakbeen. Dit zijn de groeischijven. In de groeischijf wordt nieuw kraakbeen gevormd, waardoor het bot aan de uiteinden langer wordt. Na verloop van tijd verbenen de groeischijven. Ze worden steeds dunner en groeien uiteindelijk dicht.

a. Waarom kan een volwassene niet meer in de lengte groeien?

  • Als de groeischijven dicht zijn, is lengtegroei niet meer mogelijk.

In afbeelding 6 zie je röntgenfoto’s van een hand en een pols. Alleen botweefsel is zichtbaar op een röntgenfoto, kraakbeen niet.

b. Welke foto is van de hand van een kind?

  • Foto 1


Opdracht 8+

c. Geef twee kenmerken waaraan je kunt zien welke hand van een kind is en welke van een volwassene.

• Bij de hand van het kind zie je de groeischijven als dunne schijfjes.
• Bij de hand van het kind zie je ruimte tussen de botten van de hand. Dit is kraakbeen, dat niet zichtbaar is op een röntgenfoto.

Op een röntgenfoto van de hand en de pols kan een arts bekijken in hoeverre de groeischijven al zijn dichtgegroeid. Op basis daarvan kan de arts de skeletleeftijd of botleeftijd bepalen. Dat is de leeftijd die past bij de botontwikkeling van het kind.

d. Bedenk een methode waarmee een arts de skelet- of botleeftijd van een kind kan inschatten.

De arts kan een reeks röntgenfoto’s bekijken van jongens en meisjes van verschillende leeftijden en de röntgenfoto daarmee vergelijken. De leeftijd die het best past bij de ontwikkeling op de foto is dan de skeletleeftijd.


Leerdoelen

Aan het einde van de les:

  • 4.3.6 Kan je vier beenverbindingen beschrijven.

  • 4.3.7 Kan je de bouw van een gewricht beschrijven.

  • 4.3.8 Kan je het verschil tussen een kogelgewricht, scharniergewricht en rolgewricht.

    Botten kunnen op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Sommige verbindingen zijn beweegbaar, andere niet.

Beenverbindingen

Botten kunnen op vier manieren met elkaar verbonden zijn:
1. Vergroeid
2. Met een naad
3. Met kraakbeen
4. Met een gewricht

!

Het heiligbeen EN de staartbeen bestaan uit wervels die met elkaar vergroeid zijn (zie afbeelding 1).

De botten van de schedel zitten aan elkaar vast met naden.

Er is geen beweging mogelijk.

Verbindingen zonder beweging

Verbindingen met weinig beweging

  • Tussen je ribben en borstbeen zit kraakbeen.

  • Tussen je ribben en wervels zit ook kraakbeen.

  • Er is een beetje beweging mogelijk (borstkas beweegt omhoog/omlaag).


Veel beweging

  • Gewricht = verbinding tussen twee botten.

  • Er zijn drie soorten gewrichten:

  1. Kogelgewricht = De gewrichtskogel kan alle kanten op bewegen in de gewrichtskom.

  2. Rolgewricht = de botten draaien over elkaar heen.

  3. Scharniergewricht = het gewricht kan maar 2 richtingen op bewegen.


Aan de slag!

  • Wat: Maak opdracht 1, 3, 5 en 8 van BS3: Beenverbindingen. 

  • Hoe: Lees basisstof 22, 23 en 24 voor jezelf.

  • Tijd: Tot 5 minuten voor het einde van de les

  • Hulp? Vraag je buur, lees de basisstof door of steek je vinger op.

  • Klaar? Neem alvast de volgende BS door ter voorbereiding op de volgende les.

  • Doel: Werken aan de leerdoelen van Thema 4 ter voorbereiding op de toets.


Huiswerk = Opdracht 1, 3, 5 en 8

THEMA 4
Stevigheid en beweging

Les 4

Leerdoelen

Aan het einde van de les:

  • 4.3.6 Kan je vier beenverbindingen beschrijven.

  • 4.3.7 Kan je de bouw van een gewricht beschrijven.

  • 4.3.8 Kan je het verschil tussen een kogelgewricht, scharniergewricht en rolgewricht.

    Botten kunnen op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Sommige verbindingen zijn beweegbaar, andere niet.

Oefening

In afbeelding 7 zie je een schedel van een kat.

a. Welke type beenverbinding is R?

  • B Naad

b. Welke andere beenverbinding zie je?

  • D Gewricht

c. Bevat dit skelet ook kraakbeen? Leg je antwoord uit.

  • Ja, in iedergeval in de kop en kom van het kaakgewricht.

Opdracht 5 (blz 30)

Op röntgenfoto's zien delen van het lichaam er witter uit naarmate ze meer kalkzouten bevatten. Daardoor kun je een gebroken bot goed zien op een röntgenfoto. In afbeelding 7 zie je een röntgenfoto van een heup.

a. Het gebroken bot heet

Een dijbeen.

b. Waardoor zijn veel delen van een gewricht niet zichtbaar op een röntgenfoto?

  • Alleen de delen met veel kalkzouten (gewrichtskop en gewrichtskom) zijn zichtbaar op een röntgenfoto. De andere delen (gewrichtsband, gewrichtssmeer, kapselband, laagje kraakbeen) bevatten geen of weinig kalkzouten.

c Het gebroken bot is met andere botten verbonden door gewrichten. Door welke typen gewricht is dit bot verbonden? Leg je antwoord uit.

  • Het dijbeen is verbonden met de heup door een kogelgewricht, en met het scheenbeen door een scharniergewricht (de knie).


De bouw van een gewricht


  • Bij de meeste gewrichten heeft het ene bot een gewrichtskom en het andere bot een gewrichtskogel.

  • Over beiden botten zit er een laagje kraakbeen zodat het bot soepel kan bewegen.

  • Gewrichtskapsel = houd de
    botten op zijn plaats en maakt
    gewrichtssmeer aan.

  • Kapselbanden = houdt de twee
    botten op zijn plaats

De bouw van een gewricht


  • Het kraakbeenlaagje zorgt ervoor dat de botten soepel kunnen bewegen en gaan slijtage van het bot tegen.

  • Gewrichtssmeer = stroperige
    vloeistof waardoor botten soepel
    kunnen bewegen

!

  • Kippenbotje met kraakbeen op de gewrichtskogel


  1. Noem drie plekken waar botten tegen elkaar zijn gegroeid in de loop van de tijd?

  2. Wat kan er gebeuren als je niks met een breuk doet?

  3. Wat wordt er gebruikt als er tijdens een operatie een bot tekort is?


Aan de slag!

  • Wat: Maak opdracht 2, 6, 7 en 9 van BS3: Beenverbindingen. 

  • Hoe: Lees bladzijde 24, 25 en 26 voor jezelf.

  • Tijd: Tot 5 minuten voor het einde van de les

  • Hulp? Vraag je buur, lees de basisstof door of steek je vinger op.

  • Klaar? Neem alvast de volgende BS door ter voorbereiding op de volgende les.

  • Doel: Werken aan de leerdoelen van Thema 4 ter voorbereiding op de toets.


Huiswerk = Opdracht 2, 6,7 en 9 van BS3 (blz 26, 28 en 29)






Waar in het lichaam ligt je spaakbeen?

 =

Spaakbeen






Waar in het lichaam zit de meeste lijmstof?

Lijmstof





Waar bevinden zich de handwortelbeentjes?

Staartbeen






Waar ligt het opperarmbeen? Wat voor bot is het?

Opperarmbeen