Dynamiek en successie van ecosystemen (Biologie vwo), les 2: Examentraining

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Examentraining

Dynamiek en successie van ecosystemen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen en acht vragen: een groeicurve lezen en rekenen, tolerantiecurven vergelijken, successie in een grafiek en de mens en het ecosysteem. Handig om eerst de uitleg te doen.

Items in this lesson

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Examentraining

Dynamiek en successie van ecosystemen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Bj.schoenmakers / Wikimedia Commons, CC0

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan een groeicurve, tolerantiecurve of successiegrafiek lezen en met begrippen uit de ecologie uitleggen wat er gebeurt.

This item has no instructions

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat staat op de assen, in welke eenheden en welke lijnen of letters zijn er?

  • 2. Zoek: waar stijgt, daalt of vlakt de lijn af, en welke waarden horen bij de gridlijnen?

  • 3. Verklaar: koppel wat je ziet aan een begrip, zoals draagkracht, tolerantiegrens of successie.

  • 4. Schrijf: noem oorzaak en gevolg, bijvoorbeeld met omdat en daardoor.

This item has no instructions

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 1: een groeicurve lezen en rekenen

  • Lees eerst de assen en de eenheden: wat staat waarop en in welke stappen?

  • Waar de curve het steilst loopt, groeit de populatie het snelst; waar hij vlak loopt, nauwelijks.

  • Lees waarden af bij de gridlijnen en reken met die getallen.

  • Verandering in procenten = (nieuw min oud) gedeeld door oud, maal 100%.

This item has no instructions

Bij welke letter groeit de populatie het snelst?

A

Bij P

B

Bij R

C

Bij Q

D

Bij S

De curve is bij Q (na 5 jaar, 400 dieren) het steilst. Bij P is het aantal nog klein en de groei traag, bij R vlakt de curve af en S is de lijn van de draagkracht. Verwachte fout: R kiezen omdat daar de meeste dieren zijn; dat zegt niets over de snelheid van groei. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Met hoeveel procent groeit de populatie tussen jaar 5 en jaar 7?

A

43%

B

175%

C

75%

D

300%

Jaar 5: 400 dieren, jaar 7: 700 dieren. Toename 300, dus 300 gedeeld door 400 is 0,75, dus 75%. Fout 43%: delen door het nieuwe aantal (300 gedeeld door 700). Fout 175%: 700 gedeeld door 400. Fout 300%: de toename in dieren als percentage noteren. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 2: tolerantiecurven vergelijken

  • Lees eerst wat op de assen staat: de abiotische factor en de groei van de soort.

  • Een soort leeft alleen waar haar curve boven de as ligt: tussen de tolerantiegrenzen.

  • De top van de curve is het optimum van die soort.

  • Bij twee soorten: welke waarden delen ze, en bij welke waarde leeft maar één van beide?

This item has no instructions

Bij welke temperatuur komt alleen soort X voor?

A

10 °C

B

17 °C

C

20 °C

D

30 °C

Soort X heeft een curve tussen 5 en 25 °C, soort Y tussen 15 en 25 °C. Bij 10 °C is alleen X aanwezig. Bij 17 en 20 °C komen beide voor, bij 30 °C geen van beide. Verwachte fout: 30 °C kiezen zonder te kijken of de curve daar nog boven de as ligt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Het water warmt op tot 30 °C. Wat gebeurt er met beide soorten?

A

Alleen soort Y blijft: het optimum van Y is het hoogst

B

Alleen soort X blijft: het bereik van X is het breedst

C

Beide blijven bestaan, maar groeien minder

D

Beide verdwijnen: 30 °C ligt boven beide grenzen

Boven 25 °C ligt de curve van zowel X als Y op de as: 30 °C ligt boven de bovenste tolerantiegrens van beide soorten, dus ze verdwijnen. Verwachte fout: denken dat een hoger optimum of een breder bereik ook boven de grens helpt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Beukenbos bij Vierhouten op de Veluwe

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 3: successie in een grafiek

  • Lees de grafiek: wat staat op de verticale as en hoe verandert die in de tijd?

  • Een stijging betekent dat er soorten bijkomen; een vlak stuk betekent een stabiele soortensamenstelling.

  • Zoek bij elke verandering een oorzaak: pioniers veranderen de bodem, nieuwe soorten concurreren.

  • Gebruik in je antwoord begrippen als pioniersoort, concurrentie en climaxecosysteem.

Image credit: Wbaas123 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Welke letter hoort bij het climaxecosysteem?

A

Letter P

B

Letter S

C

Letter Q

D

Letter R

Bij S is de curve vlak: het aantal soorten verandert nauwelijks meer, dus de soortensamenstelling is stabiel. Bij R stijgt de curve nog. Verwachte fout: R kiezen omdat het aantal soorten daar al hoog is. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Waarom komen er tussen P en Q soorten bij?

A

Pioniers verrijken de bodem voor nieuwe soorten

B

De bodem wordt armer, zodat meer soorten passen

C

Pioniers verdringen alle andere soorten

D

Het climaxstadium trekt nieuwe soorten aan

Pioniers maken de bodem rijker aan organische stof, waardoor soorten kunnen groeien die meer eisen stellen. Verwachte fout: denken dat een armere bodem meer soorten toelaat, of dat het climaxstadium al bereikt is. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Konikpaarden begrazen een rietland

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 4: de mens en het ecosysteem

  • Bij beargumenteren geef je een maatregel of standpunt en onderbouw je dat met een biologische reden.

  • Zoek welke processen meespelen: successie, concurrentie, immigratie of een omslagpunt.

  • Noem het gevolg voor de soortensamenstelling of voor het evenwicht.

  • Open vragen vragen om een kort antwoord: noem één maatregel of één reden.

Image credit: caroline legg / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Twee natuurgebieden krijgen een verbindingszone. Wat is het doel?

A

Exoten kunnen zich minder snel verspreiden

B

De successie in beide gebieden stopt

C

Soorten kunnen migreren, dus er is meer immigratie

D

Het klimaat in beide gebieden wordt gelijk

Een verbindingszone koppelt gebieden die als eilanden liggen, zodat soorten kunnen migreren en uitgestorven soorten weer kunnen terugkeren (immigratie, eilandtheorie). Verwachte fout: denken dat een verbindingszone de abiotische omstandigheden verandert.

Noem een manier om heide open te houden.

Goede antwoorden: maaien, begrazen (bijvoorbeeld door schapen of Schotse hooglanders) of plaggen. Zonder beheer volgt successie en groeit de heide dicht met bos. Verwachte fout: bomen planten of niets doen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een groeicurve lezen en rekenen

2

Tolerantiecurven vergelijken

3

Successie in een grafiek

4

De mens en het ecosysteem

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Tips voor op het examen

  • Lees bij een grafiek eerst de assen en eenheden, en kijk dan pas naar de lijn.

  • Bij een groeicurve: het steilste stuk is de snelste groei, het vlakke stuk bij de draagkracht.

  • Rekenen met percentages: deel de verandering door de beginwaarde, niet door de eindwaarde.

  • Onderbouw een antwoord altijd met een begrip en een gevolg, bijvoorbeeld successie of concurrentie.

This item has no instructions