formatieve eindtoets Grammatik

Wiederholung Grammatik
1 / 29
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Wiederholung Grammatik

Slide 1 - Slide

opbouw kennistoets 35-46
Vokabeln ND 15P
Vokabeln D-N 15P
Redemittel 10P
Grammatik onderwerp en lijdend voorwerp 10P
Grammatik tijdsbepaling en naamwoordelijk deel van het gezegde 10P
Grammatik alle zinsdelen 10P

Bonus : Schreiben ( 0,5 bovengemiddeld/ 0,3 gemiddeld/ 0,0 beneden gemiddeld.  Stell dich vor . Benutze dazu 40-60 Wörter

Slide 2 - Slide

opbouw Bonus
Name- Alter- Wohnort- Klasse- Schule- Lieblingsfach- Hobbys-
Sport

Slide 3 - Slide

naamval 1
onderwerp van de zin

2 manieren om het onderwerp te vinden:

1. wie/wat + gezegde (de werkwoorden in een zin)
De man heeft een auto gekocht
Wie heeft een auto gekocht? de man = nv 1



Slide 4 - Slide

naamval 1: koppelwerkwoorden
oa. sein/werden/bleiben

Een koppelwerkwoorden verbinden  het onderwerp met een naamwoordelijk deel in de zin.

ond- kww- nwdeel

Jan is een leuke jongen. 


Omdat het naamwoordelijk deel over dezelfde zaak/persoon gaat als het onderwerp, staat het ook in naamval 1



Slide 5 - Slide

het naamwoordelijk deel =1
In een zin met een naamwoordelijk deel staat dus 2x naamval 1.
onderwerp ( 1)  koppelwerkwoord naamwoordelijk deel (1)
Voorbeeld:
Der Junge (1)  hat einen guten Freund (4)
Der Junge (1) ist mein guter Freund (1)

Slide 6 - Slide

naamval 4 : lijdend voorwerp
2 manieren om het lijdend voorwerp te vinden.

Manier 1: Wie/wat+ gezegde+ onderwerp
De man heeft een auto gekocht.
Wie/wat heeft de man gekocht? een auto = lijdend voorwerp

Slide 7 - Slide

naamval 4: de tijdsbepaling
Een tijdsbepaling + woord der-Gruppe/ ein-Gruppe = naamval 4

Voorbeelden:
Jeden Tag(m), eine Stunde, einen Monat (m)
ein Jahr (o), dieses Jahr (o)

Slide 8 - Slide

Die Fälle - Präpositionen (voorzetsels)
4. Fall 
durch
door
für
voor
gegen
tegen
ohne
zonder
um
om
bis
tot
entlang
langs
Stappenplan:
1. voorzetsel
2. ontleden

Slide 9 - Slide

der -Gruppe, ein-Gruppe
Er bestaan 2 grote woordgroepen in het Duits:

  • DER - Gruppe
  • EIN - Gruppe

Slide 10 - Slide

 DER-Gruppe und EIN-Gruppe

DER-Gruppe:
de bepaalde lidwoorden (der, die, das) en dies-, jed-, manch-, solch-, all- en welch-.  ( behandeld in Schritt 42)

EIN-Gruppe:
ein-, kein- en de bezittelijke voornaamwoorden: mein-, dein-, sein-, ihr-, unser-, euer / eure, ihr- en Ihr-.

Slide 11 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord 

Slide 12 - Slide

schema uitgangen der-Gruppe
m
v
o
mv
nv 1
er
e
es
e
nv 4
en
e
es
e

Slide 13 - Slide

schema uitgangen ein-Gruppe
m
v
o
mv
nv 1
*
e
*
e
nv 4
en
e
*
e

Slide 14 - Slide

Na een woord van de der-Gruppe volgt altijd een uitgang
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quiz

Na een woord van de ein-Gruppe volgt altijd een uitgang
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quiz

Naamval 1 en 4 van de der-Gruppe zijn gelijk aan elkaar.
Behalve bij ___ woorden
A
mannelijke
B
vrouwelijke
C
onzijdige
D
meervoudige

Slide 17 - Quiz

Naamval 1 en 4 van de ein-Gruppe zijn gelijk aan elkaar.
Behalve bij ___ woorden
A
mannelijke
B
vrouwelijke
C
onzijdige
D
meervoudige

Slide 18 - Quiz

Ich habe dies___ Mann noch nie hier
gesehen.
A
dieses
B
dieser
C
diesen
D
dieseren

Slide 19 - Quiz

Wir fahren durch ein____ Tunnel (m)
A
ein
B
eine
C
einer
D
einen

Slide 20 - Quiz

Obwohl er jetzt in Deutschland wohnt, bleibt er mein___ bester Freund (m)
A
mein
B
meiner
C
meinen
D
meine

Slide 21 - Quiz

Diese Wohnung haben wir für ein___
Monat (m) gemietet.
A
ein
B
eine
C
einen
D
einer

Slide 22 - Quiz

Dies___ Man (m) ist für dies___ Jungen (m) ein___ großer Held (m)
A
dieser, diesen, ein
B
diesen, dieser , einen
C
dieses, dieser, einen
D
diese, diesen, ein

Slide 23 - Quiz

Ich bin jed___ Tag (m) ohne mein___
Handy(o) durch d___ Stadt gelaufen.
A
jede, meiner, die
B
jeden, meiner, die
C
jeden, mein, die
D
jed, mein, die

Slide 24 - Quiz

Welch____ Mädchen (o) läuft immer quer durch d____ Publikum (o)
A
welch, das
B
welches, das
C
welche, das
D
welcher, das

Slide 25 - Quiz

Welch____ Verein (m) ist dies__ Jahr (o)
d___ neue Landmeister geworden?
A
welcher, dieses, den
B
welches, dies, der
C
welches, dieses, den
D
welcher, dieses, der

Slide 26 - Quiz

Das Ende

Slide 27 - Slide

oefenen Bonus
Name- Alter- Wohnort- Klasse- Schule- Lieblingsfach- Hobbys-
Sport

Schrijf een tekst van 50 woorden waarin je bovenstaande elementen gebruikt.
Gebruik de tips op de volgende slide.

Slide 28 - Slide

Name- Alter- Wohnort- Klasse- Schule- Lieblingsfach- Hobbys- Sport

Klasse: Ich bin in * +naanval 3
of ich gehe in* + naamval 4

Sport :  Sport machen / Sport treiben
Fußball, Tennis spielen

Slide 29 - Slide