Herhaling thema 4 De productieketen

Herhaling thema 4 De productieketen
131
137
334
225
226
222
1 / 28
next
Slide 1: Slide
GroenMiddelbare schoolvmbo b, k, gLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Herhaling thema 4 De productieketen
131
137
334
225
226
222

Slide 1 - Slide

Gezelschapsdieren kosten tijd en geld.
Een productiedier levert geld op
A
waar
B
niet waar

Slide 2 - Quiz

Hoe noem je de buitenkant van een dier?
A
het type
B
het uiterlijk
C
de onderdelen
D
het exterieur

Slide 3 - Quiz

Welke 4 woorden horen bij de plaatjes van de mineralenkringloop?

Slide 4 - Open question

Waarvoor dient hokverrijking bij varkens?
A
de productie van varkensvlees is zo goedkoper
B
om ervoor te zorgen dat het varken genoeg eet
C
om ervoor te zorgen dat een varken altijd iets te onderzoeken heeft
D
om ervoor te zorgen dat de varkens niet ziek worden

Slide 5 - Quiz

Wat is de verzamelnaam van deze producten?

Slide 6 - Open question

Plantaardig
Dierlijk

Slide 7 - Drag question

Omverpakking
= Verpakking van meerdere producten in een grotere verpakking

Vb. een doos met 12 pakken appelsap.

Het appelsappak is de verpakking.
De doos is de omverpakking.

Slide 8 - Slide

Omverpakking
Functies:
  • Beschermen tegen schade tijdens transport
  • Makkelijker hanteerbaar en stapelbaar
  • Producten blijven vers
  • Geven informatie

Slide 9 - Slide

Wat is een omverpakking? Noem een voorbeeld.
A
Een krop sla in een plasticzak
B
Een krop sla in een hoes
C
Tien kroppen sla in een doos
D
Tien kroppen sla op het land

Slide 10 - Quiz

Geef een voorbeeld van een verpakking met statiegeld.
A
Een kartonnen doos met bananen
B
Een emmer met bloemen van de veiling
C
Een pak melk in de supermarkt

Slide 11 - Quiz

Welke informatie kun je vinden op een omverpakking? Noem er tenminste 3.

Slide 12 - Open question

Waarom staat er een productie datum of partijcode op een verpakking?
A
Dan kan de fabrikant de fout opzoeken als er iets mis is met het product
B
Dan weet je uit welke plaats het product komt
C
Dan kan de kassamedewerker de prijs scannen
D
Dan weet je wat de houdbaarheid is

Slide 13 - Quiz

Papier
Glas
Blik
Kunststof<div>/Plastic</div>
Je kunt het bedrukken
Beschermt tegen vocht
Licht van gewicht
Reuk- en smaakloos
Onbreekbaar/ sterk
Licht- en luchtdicht

Slide 14 - Drag question

Wat is sorteren?
A
Producten oogsten en vervoeren
B
Producten bij elkaar leggen die bij elkaar horen
C
Producten verpakken
D
Producten verwijderen die niet aan de eisen voldoen

Slide 15 - Quiz

Waar is op gesorteerd?
A
Maat
B
Soort
C
Vorm
D
Kleur

Slide 16 - Quiz

Waar is op gesorteerd?
A
Maat
B
Soort
C
Vorm
D
Kleur

Slide 17 - Quiz

Hoelang duurt
het voordat plastic verpakkingen verteerd zijn?
A
1-5 jaar
B
Het verteert niet
C
10-100 jaar
D
5-10 jaar

Slide 18 - Quiz

THT
TGT

Slide 19 - Drag question

Productieketen
  1. Producent =  Iemand die producten maakt of voortbrengt
  2. Afnemer = Iemand die een product koopt van een andere schakel in de productieketen
  3. Consument = Iemand die iets koopt of verbruikt

Slide 20 - Slide

Productieketen
Productieketen = De weg die producten afleggen van producent tot consument
-> Bestaat uit Schakels

Iedere schakel koopt van de vorige schakel.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Wat is de juiste volgorde van een productieketen?
A
fokkerij, detailhandel, slachterij, groothandel
B
fokkerij, vermeerderingsbedrijf, slachterij, consument
C
groothandel, slachterij, detailhandel, consument
D
fokkerij, slachterij, groothandel, detailhandel

Slide 23 - Quiz

Wat is een producent?
A
De persoon die de agrarische producten levert
B
De persoon die de agrarische producten koopt
C
De persoon die de agrarische producten verkoopt

Slide 24 - Quiz

Wat is een boerderijwinkel?
A
Een winkel die eruitziet als een boerderij
B
Een winkel op de boerderij
C
Een gewone winkel (supermarkt) in de buurt van een boerderij
D
Een boerderij

Slide 25 - Quiz

Waar of niet waar?
Natuurproducten zijn vaak beperkt houdbaar.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 26 - Quiz

Waar of niet waar?
Twee agrarische producten zien er altijd hetzelfde uit
A
Waar
B
Niet waar

Slide 27 - Quiz

Einde

Slide 28 - Slide