Herhaling SOVA hoofdstuk 10, 15 en 16

Herhaling SOVA 
Vragen uit de instaptoetsen van
hoofdstukken 10, 15 en 16
1 / 16
next
Slide 1: Slide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Herhaling SOVA 
Vragen uit de instaptoetsen van
hoofdstukken 10, 15 en 16

Slide 1 - Slide

Wat wordt bedoeld met een positief groepsklimaat?
A
Een ruimte waarin de temperatuur optimaal is.
B
Een groep waarin kinderen altijd positief op elkaar reageren.
C
Een groep waarin kinderen zich veilig voelen.
D
Een ruimte waar alles gericht is op de kinderen.

Slide 2 - Quiz

Welke vijf fases horen bij groepsvorming?
A
Oriëntatiefase, conflictfase, integratiefase, uitvoeringsfase en evaluatiefase.
B
. Oriëntatiefase, conflictfase, integratiefase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.
C
Oriëntatiefase, communicatiefase, integratiefase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.
D
Oriëntatiefase, conflictfase, groepsvormingsfase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.

Slide 3 - Quiz

Wat kun je aflezen uit een sociogram?
A
Hoeveel sociale en neutrale kinderen er in een groep zitten.
B
In welke fase het groepsvormingsproces zich bevindt.
C
Wat de rollen en posities van de kinderen in de groep zijn.
D
Welke taaknormen er in de groep bestaan.

Slide 4 - Quiz

Wie bepaalt de groepsnorm in een groep?
A
De actieve kinderen met veel ideeën en initiatief.
B
De sociale kinderen met de actieve kinderen.
C
De sociale kinderen met de neutrale kinderen.
D
Alle kinderen in de groep bepalen de groepsnorm.

Slide 5 - Quiz

Wat wordt bedoeld met een homogene groep?
A
Een groep waarin de kinderen verschillende kenmerken hebben.
B
Een groep waarin sociale en neutrale kinderen zitten.
C
Een groep waarin de kinderen gelijke en/of gelijksoortige kenmerken hebben.
D
Een groep waarin kinderen van hetzelfde geslacht zitten.

Slide 6 - Quiz

Wat is een voorwaarde voor een geslaagde samenwerking?
A
. De samenwerkende mensen vinden elkaar aardig.
B
De samenwerkende mensen moeten al minstens 1 jaar met elkaar samenwerken.
C
De samenwerkende mensen wantrouwen elkaar.
D
De samenwerkende mensen houden zich aan afspraken.

Slide 7 - Quiz

Wat betekent interdisciplinaire samenwerking?
A
Samenwerking tussen verschillende afdelingen en partijen.
B
Samenwerking tussen verschillende types.
C
Samenwerking tussen collega’s en kinderen.
D
Samenwerking tussen collega’s met een verschillende culturele achtergrond.

Slide 8 - Quiz

Hoe ga je om met lastige collega’s?
A
Je klaagt ze aan bij je baas.
B
Je gaat ze uit de weg of je gaat een gesprek met ze aan.
C
Je roddelt over ze.
D
Je maakt ze zwart bij hun baas.

Slide 9 - Quiz

Wat maakt interdisciplinair samenwerken lastig?
A
Dat de kinderen nog jong zijn.
B
Dat men verschillende belangen kan hebben.
C
Dat de verschillende types botsen.
D
Dat de afdelingen op verschillende tijden werken.

Slide 10 - Quiz

Waarom kunnen verschillende persoonlijkheden (types) botsen?
A
Omdat ze allebei moe zijn.
B
Omdat het ene type redelijker is dan het andere.
C
Omdat ze op een andere manier over dingen denken,
D
Omdat ze goed in hun vel zitten.

Slide 11 - Quiz

Wat is het verschil tussen waarden en normen?
A
Normen gaan over hoe je met elkaar om moet gaan. Waarden over wat er wel en niet mag volgens de wet.
B
Waarden zijn uitgangspunten die iemand belangrijk vindt. Normen zijn gedragsregels die daaruit voortkomen.
C
Normen zijn uitgangspunten die iemand belangrijk vindt. Waarden zijn gedragsregels die daaruit voorkomen.
D
Waarden gaan over alles wat goed en slecht is, de wetgeving. Normen over wat je zelf goed of slecht vindt.

Slide 12 - Quiz

Wat is intercultureel communiceren?
A
Communicatie tussen mensen met dezelfde cultuur.
B
Communicatie tussen mensen in een school of organisatie.
C
Communicatie tussen mensen uit verschillende landen.
D
Communicatie tussen mensen uit verschillende culturen.

Slide 13 - Quiz

Waarom is het binnen intercultureel werken belangrijk dat je let op welke gebaren je maakt?
A
Er zijn culturen waar het maken van gebaren verboden is.
B
Sommige mensen snappen gebaren niet, omdat ze dat gebaar niet kennen.
C
Niet in elke cultuur heeft een gebaar dezelfde betekenis.
D
Het is niet belangrijk in elke cultuur betekenen gebaren hetzelfde.

Slide 14 - Quiz

Wat is binnen de kinderopvang en een school belangrijk als je werkt met kinderen met een andere culturele achtergrond, buiten dat je belangstelling en respect toont?
A
Dat je dezelfde taal spreekt als de ander, al zijn het maar een paar woorden.
B
Dat je uitleg geeft over de verschillende culturele achtergronden.
C
Dat je geen vooroordelen hebt en alle feesten viert.
D
Dat je samen met je collega’s overlegd hoe je iets het beste aan kunt pakken.

Slide 15 - Quiz

In welke cultuur is het recht op vrije meningsuiting vastgelegd?
A
G-cultuur.
B
F-cultuur.
C
Niet-westerse cultuur.
D
Westerse cultuur

Slide 16 - Quiz