1THV bezittelijk voornaamwoord





lessonup.app
1 / 21
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson





lessonup.app

Slide 1 - Slide

le programme
- le mot du jour
- Quizlet: mix unité 3
- quiz + oefeningen


weektaak
maken: 2.4 - 2.5 - 2.6
leren: appr. 5+6

Slide 2 - Slide

Le Mot du Jour
Comment s'appelle sa grand-mère?

Slide 3 - Slide

Le Mot du Jour
Hoe heet .... oma?
       sa

     zijn/haar

Slide 4 - Slide

Quizlet
Unité 2 >  apprendre 5

klaar? oefen dan apprendre 4 of 6




timer
10:00

Slide 5 - Slide

mannelijk
vrouwelijk
son
la
mon
sa
ta
ton
le
ma

Slide 6 - Drag question

m - v- mv ?
Kijk naar het zelfstandig
naamwoord ACHTER het 
bezittelijk voornaamwoord!

 
J'habit ici, voilà ...... maison

        bezittelijk voornaamwoord
                           mannelijk        vrouwelijk    meervoud

mijn                      mon                  ma                 mes

jouw                     ton                      ta                   tes

zijn / haar            son                      sa                   ses

Slide 7 - Slide

m  - v - mv ?
Hoe weet je nu of je
mannelijk, vrouwelijk of meervoud 
moet gebruiken?

Regarde, c'est ....... copine. (mijn)

Slide 8 - Slide

m  - v - mv ?
Kijk naar het zelfstandig naamwoord
ACHTER
het bezittelijk voornaamwoord.

Regarde, c'est ma copine. (mijn)

Slide 9 - Slide

Hoe vertaal je:
"mijn kinderen"?
A
mon enfant
B
ma enfant
C
mes enfants
D
tes enfants

Slide 10 - Quiz

Hoe vertaal je:
"mijn nichtje"
A
ma cousin
B
mon cousine
C
la cousine
D
ma cousine

Slide 11 - Quiz

Hoe vertaal je:
"zijn opa"?
A
son père
B
son grand-père
C
sa grand-père
D
ses grand-père

Slide 12 - Quiz

Hoe vertaal je:
"zijn oma"?
A
sa grand-mère
B
son grand-mère
C
ta grand-mère
D
la grand-mère

Slide 13 - Quiz

Hoe zeg je:
"mijn beste vriendin"
A
ma meilleur amie
B
mon meilleure ami
C
ma meilleure amie
D
mon meilleur amie

Slide 14 - Quiz

Hoe vertaal je:
"jouw familie"?
A
ton famille
B
ta famille
C
tes familles
D
la famille

Slide 15 - Quiz

Il est ... grand-père?
(jouw)

Slide 16 - Open question

Tu connais .... cousines?
(zijn)

Slide 17 - Open question

Je parle avec ... frère.
(haar)

Slide 18 - Open question

Tu as ... adresse?
(mijn)

Slide 19 - Open question

bezittelijk
voornaamwoord

Slide 20 - Mind map

Il y a des questions?

Slide 21 - Slide