Theater Analyse

DRAMA THEORIE analyse
Theater Analyse aan de hand van begrippen

H3: herhalen basisbegrippen
1 / 35
next
Slide 1: Slide
DramaMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

Items in this lesson

DRAMA THEORIE analyse
Theater Analyse aan de hand van begrippen

H3: herhalen basisbegrippen

Slide 1 - Slide

Hoe noem je een spannend einde bij een film of serie waarvan je niet weet hoe het afloopt?
A
Gesloten eind
B
Open eind
C
Cliffhanger
D
Slot

Slide 2 - Quiz

Wat is een typetje?
A
Uitvergroot verzonnen personage
B
Een uitgewerkt geloofwaardig gespeeld personage
C
Het imiteren van een bestaand persoon en deze vergroot je uit (gedrag/uiterlijk)

Slide 3 - Quiz

Slide 4 - Video

Slide 5 - Video

Wat hoort niet bij de WANNEER?
A
Tijdstip
B
Locatie
C
Seizoen
D
Jaartal

Slide 6 - Quiz

Hoe noem je het veranderen van emoties?
A
Aanpassen
B
Emotionele achtbaan
C
Wisselen
D
Schakelen

Slide 7 - Quiz

Een ander woord voor de WAT bij toneel is...
A
Plaats
B
Probleem
C
Personage
D
Verhaal

Slide 8 - Quiz

Wat zijn theatrale middelen?
A
Wie, wat, waar, waarom en waardoor?
B
Spelgegevens, enscenering en materiële vormgevingsmiddelen
C
Middelen om het theaterstuk naar een hoger plan te tillen
D
Vormgegeven van een theaterstuk

Slide 9 - Quiz

Wat is een actie?
A
Het moment dat het stuk begint.
B
Zichtbare ( en hoorbare-) start van de tekst
C
Zichtbare handeling tijdens spel
D
Zichtbare handeling tijdens spel

Slide 10 - Quiz

Wat is een impuls?
A
Eerste idee of ingeving
B
Zelf beginnen met spelen of aan andere spelers spelaanbod geven.
C
Eerste reactie op een actie, maar daar niets mee doen
D
Actie op reactie

Slide 11 - Quiz

Wat is mimiek?
A
Mime technieken
B
Gezichtsuitdrukkingen
C
Lichaamshouding
D
Pantomime ( concreet uitbeelden)

Slide 12 - Quiz

Wat bedoelen we met kap en grime?
A
Verkleedspullen
B
Kapsels, schmink en make up
C
Make up en maskers
D
Make up artist

Slide 13 - Quiz

Wat zijn Spelgegevens?
A
De gegevens die de acteur nodig heeft om zijn spel te verbeteren.
B
Spelaanwijzingen van de regisseur
C
De 5w's
D
Rol, actie, ruimte, motief, tijd

Slide 14 - Quiz

Verbaal is...
A
Mimiek, lichaamshouding, beweging en intonatie
B
Intonatie en tekst
C
Mimiek, fysiek en stem
D
Tekst

Slide 15 - Quiz

Wat is fysiek?
A
Houding en beweging
B
Stem, houding en gezicht
C
Gezichtsuitdrukkingen
D
Emoties zichtbaar en hoorbaar

Slide 16 - Quiz

Wat zijn de 7 theater vormgevingsmiddelen?
A
licht, geluid, audiovisueel, kostuums, kapsel en grime, decor en attributen
B
wie, wat, waar, wanneer, waarom, waarmee en hoe
C
7 technieken die een acteur kan gebruiken om een rol te spelen

Slide 17 - Quiz

Wat is expressie?
A
Uitdrukking
B
Geloofwaardigheid
C
Verbeelding
D
Non verbaal spel

Slide 18 - Quiz

Wat is mise-en-scène?
A
Positie/beweging op het speelbvlak
B
Positie/beweging ten op zichtte van de ander
C
Handelingen
D
Positie ten opzichte van medespelers, decor en hoe ik handel in de ruimte

Slide 19 - Quiz

Wat betekent ensceneren?
A
Mise-en-scène
B
In scène zetten
C
Een eigen scène schrijven
D
Dramatiseren van een scène

Slide 20 - Quiz

Wat kun je zeggen over decor?
A
Kleur, vorm, materiaal, grootte, plaatsing in de ruimte ( sfeer)
B
Kleur, plastic, hout, handgemaakt, fabriekskeurmerk ( merk)
C
Functie, kleur, sfeer, effect, stijl, echtheid ( eigenheid)
D
Vorm, materiaal, functie, effect, maker ( plaatsing)

Slide 21 - Quiz

Wat is improvisatie? Leg uit.

Slide 22 - Open question

Wat is een cliffhanger? Leg uit.

Slide 23 - Open question

alles wat je in spel fysiek uitdrukt.

met tekst, mbv stem

non-
verbaal 
(5x)
verbaal
(7x)
beweging
gebaren
handeling
lichaams-houding
mimiek
accent
klemtoon
pauzering
tempo
toonhoogte
volume
woordkeuze

Slide 24 - Drag question

verbaal / non-verbaal spel

Slide 25 - Slide

transformatie 
De acteur kan emoties via mimiek, houding, beweging en stem in verschillende groottes spelen.   
  
1. personage
2. typetje
3. persiflage

Slide 26 - Slide

3 verschillende manieren om tot een theatervoorstelling te komen
 
1. (een tekst) Ensceneren: Een toneelstuk maken vanuit een bestaande toneeltekst. 


2. Dramatiseren: Het theatraal vormgeven van een verhaal, thema of idee.  

3. Improviseren: Vorm van spelen/dramatiseren/toneelspelen waarbij spelers (deels) onvoorbereid of op een vast stramien met enkele spelgegevens als uitgangspunt spel ontwikkelen. 

 

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Slide

improviseren

Slide 29 - Slide

mise-en-scene
tableaux vivants
Vierde wand
spelgegevenz
theatervormgevingsmiddelen
een goede scene is...
Wat losse begrippen
theatrale middelen

Slide 30 - Slide

Audiovisueel

Slide 31 - Slide

 

Vormgevingsmiddel: Wat kun je erover zeggen: 

Decor: kleur, vorm, materiaal, grootte, plaatsing in ruimte, (sfeer) 

Geluid: Sfeer, contrast, muziekstijl, boodschap, functie. 
Muziek: Toonhoogte, volume, welke instrumenten, melodie,  
    tempo. 

Attributen/rekwisieten: voorwerpen, functie 

Grime en Hairstyling: schmink, make-up, kapsel 

Licht: kleur, felheid, sfeer, spots (wat wordt uitgelicht?), timing 

Kostuum: kleding, kleur, materiaal, vorm, stijl (incl. hoofddeksel) 

Audiovisueel: beeld, sfeer, kleuren, animaties, foto's/ films 

 

 

 

 
 

Theatervormgevingsmiddelen

Decor: kleur, vorm, materiaal, grootte, plaatsing in ruimte, (sfeer) 

Geluid: Sfeer, contrast, muziekstijl, boodschap, functie. 

Muziek: Toonhoogte, volume, welke instrumenten, melodie, tempo. 

Attributen/rekwisieten: voorwerpen, functie 

Grime en Hairstyling: schmink, make-up, kapsel 

Licht: kleur, felheid, sfeer, spots (wat wordt uitgelicht?), timing 

Kostuum: kleding, kleur, materiaal, vorm, stijl (incl. hoofddeksel) 

Audiovisueel: beeld, sfeer, kleuren, animaties, foto's/ films 

 

 

 

 

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Video

Slide 34 - Video

Slide 35 - Video