4.4 Vermogen en energie

Hoofdstuk 4 Elektriciteit

4.4     Vermogen en energie
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 4 Elektriciteit

4.4     Vermogen en energie

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Video

Het vermogen
Het vermogen van een apparaat geeft aan hoeveel elektrische energie er per seconde door dit apparaat wordt omgezet.

Dit is afhankelijk van de spanning over het apparaat
en de stroom door het apparaat.

Slide 3 - Slide

Het vermogen
We kunnen het vermogen van een apparaat berekenen met de formule:

P   =   U  *   I

grootheid                                      eenheid
   P = vermogen uitgedrukt in (W) = Watt
U = spanning uitgedrukt in (V) = Volt
                    I  = stroomsterkte uitgedrukt in (A) = Ampère

Slide 4 - Slide

voorbeeld
Een ledlamp wordt aangesloten op een spanning van 12 Volt.
De stroomsterkte door deze lamp is gelijk aan 300 mA.

Bereken het vermogen van deze ledlamp 

Slide 5 - Slide

voorbeeld
gegeven:              U = 12 V.
                                  I   = 300 mA  = 0,3 A.
gevraagd:            P = ?

oplossing:            P   =   U   *   I
                                  P   =  12  *  0,3
                                  P   =   3,6 W 

Slide 6 - Slide

grootheid
eenheid
symbool
symbool
Vermogen
Stroomsterkte
Spanning 
P
I
V
Ampère
A
W
U
Watt
Volt

Slide 7 - Drag question

Een elektrische kachel van 2000 W. is aangesloten op de netspanning.

Bereken de stroomsterkte door de kachel.

Slide 8 - Open question

Serieschakeling
Parallelschakeling
Stroom is hetzelfde door elk lampje.
Stroom splitst zich over de lampjes

Slide 9 - Drag question

Elke batterij geeft 2V. Wat is de totale spanning?
A
2 V
B
4 V
C
8 V
D
16 V

Slide 10 - Quiz

Practica
Maak de proefjes: (4.4), 4.5 & 4.6

Slide 11 - Slide