7. Leerstof test Unité 1

TEST UNITÉ 1 (2x)
1 / 30
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

TEST UNITÉ 1 (2x)

Slide 1 - Slide

TEST UNITÉ 1
Week 48


Slide 2 - Slide

TEST UNITÉ 1
Wat moet je kennen?
  • Vocabulaire: apprendre 1, 6, 7, 8 en 9 (FN - NF)
  • Grammaire: apprendre 3, 5 en 6
  •  Som!!! En LessonUp staat online

Slide 3 - Slide

VOCABULAIRE
Hoe?
  • Via QR - code in je boek
  • Quizlet
  • Schrijven, overhoren

Slide 4 - Slide

GRAMMAIRE
Wat?
  • Werkwoorden être, avoir en regelmatig op -er
  • In de présent en de passé composé 
  • Persoonlijk voornaamwoord (moi, toi...)

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Verbind de vervoegingen van avoir met het correcte onderwerp.
Je/J'
Tu
Il/elle/on
Nous
Vous
Ils/elles
avons
ont
a
as
avez
ai

Slide 7 - Drag question

suis
es
est
sommes
êtes
sont
Je
Tu
Elle
Nous
Vous
Ils

Slide 8 - Drag question

je
Tu
Il / elle / on
nous
vous
ils / elles
parlons
parles
parlez
parlent
parle
parle

Slide 9 - Drag question

hoe zeg je: wij dansen?

Slide 10 - Open question

PRÉSENT... bravo
Nu...
  • Passé composé 
  • = voltooid verleden tijd 

Slide 11 - Slide

Passé composé
1) Hulpwerkwoord (meestal avoir en soms être)
2) voltooid deelwoord (regelmatig -er):
- er eraf, é erbij
bv. habité (gewoond)
2) voltooid deelwoord (onregelmatig):
être: été (geweest)
avoir: eu (gehad)
prendre: pris (genomen)
faire: fait (gedaan)
pouvoir: pu (gekund)
vouloir: voulu (gewild)
finir: fini (beeindigd)

Slide 12 - Slide

Hoe zeg je: jullie hebben gewoond
A
Vous habité
B
Vous êtes habité
C
Vous avez habité
D
Vous habitez

Slide 13 - Quiz

Hoe zeg je: zij hebben gepraat?

Slide 14 - Open question

Hoe zeg je: jij hebt gehad
A
Tu as eu
B
Tu as pu
C
Tu as avoiré
D
Tu as fait

Slide 15 - Quiz

Hoe zeg je: wij zijn geweest (let op!!)

Slide 16 - Open question

Passé composé
1) Hulpwerkwoord: wanneer être?

Slide 17 - Slide

sortir
retourner
naître
mourir
aller
tomber
rester
descendre
passer
partir
venir
arriver
entrer
gaan
uitgaan

sterven

binnengaan


passeren

terugkeren



blijven

vertrekken


uitstappen/afdalen

vallen
komen

geboren worden

aankomen

Slide 18 - Drag question

Passé composé
Belangrijk: als je être gebruikt, dan komt er soms een extra -e, -s of -es bij.)

Slide 19 - Slide

Passé composé
Belangrijk: als je être gebruikt, dan komt er soms een extra -e, -s of -es bij.)
Il est parti
Elle est partie
Ils sont partis
Elles sont parties
Hij is vertrokken
Zij is vertrokken 
Zij zijn vertrokken
Zij zijn vertrokken

Slide 20 - Slide

Wanneer voeg je -e toe?

Slide 21 - Open question

Wanneer voeg je -s toe?

Slide 22 - Open question

Hoe zeg je: zij is gegaan?
A
Elle est allée
B
Elle est allé
C
Elle a allée
D
Elle a allé

Slide 23 - Quiz

Hoe zeg je: jullie zijn gevallen
A
Vous avez tombé
B
Vous êtes tombés
C
Vous tombez
D
Vous tombés

Slide 24 - Quiz

Hoe zeg je: zij is aangekomen?

Slide 25 - Open question

Persoonlijk voornaamwoord met nadruk
Ik? Moi?
Jij? Toi?

Ook na een voorzetsel:
Après toi, pour vous

Slide 26 - Slide

Zet de persoonlijke voornaamwoorden op de juiste vertaling:
(sleep blauw over rood)
hem, hij
mij, ik
ons, wij
jou, jij
haar, zij
jullie, u
hen, zij (m mv)
hen, zij (v mv)
moi
toi
lui
elle
nous
vous
eux
elles

Slide 27 - Drag question

GRAMMAIRE HOE?

  • Uitleg filmpjes kijken
  • Maak de LessonUp's online
  • Diagnostische toets maken
  • Samenvatting maken 
  • Alles in Quizlet/WRTS zetten

Slide 28 - Slide

Alles staat in SOM

Slide 29 - Slide

Blooket

Slide 30 - Slide