Dekern_13-01

1 / 20
next
Slide 1: Slide
EngelsBasisschoolGroep 8

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Welke Engelse woorden over winkelen ken jij?

Slide 2 - Open question

Wat gaan we doen?
Je leert woorden, die te maken hebben met winkelen, kopen, betalen enz.

Je leert tellen tussen 1 -100

Slide 3 - Slide

Welke Engelse woorden ken jij die op de praatplaat te zien zijn?

Slide 4 - Open question

What does the shop assistent say when a customer comes in?
A
Hello, how are you?
B
Hello, can you try this on?
C
Hello, can I help you?
D
Hello, can you help me?

Slide 5 - Quiz

Welke betekenis heeft het Engelse woord: 'shopping centre'?
A
winkelcentrum
B
centrum
C
supermarkt
D
springcentrum

Slide 6 - Quiz

Welke Engels woord wordt er gebruikt voor: slager?
A
baker's
B
butcher's
C
meat
D
slaughter

Slide 7 - Quiz

Welke betekenis heeft het Engelse woord: 'buy'?
A
bouwen
B
boeien
C
betalen
D
kopen

Slide 8 - Quiz

Welke Engels woord wordt gebruikt voor: groenteman?
A
greenman
B
veggies
C
greengrocer's
D
farmer

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Video

bread
eggs
sausages

Slide 11 - Drag question

Tellen in het Engels:
tientallen??

Slide 12 - Mind map

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

eighty-one
sixty-seven
thirty-nine
twenty-three
fourteen
81
23
14
39
67

Slide 15 - Drag question

change
how much
save
money
count
price

Slide 16 - Drag question

Find
  1. a half naked couple
  2. a musician
  3. a shoplifter
  4. saint Nicolas
  5. a kid with a blue cap
  6. a surveillance camera
  7. an angry customer

Slide 17 - Slide

timer
2:00

Slide 18 - Slide

1
7
3
5
6
4
2

Slide 19 - Slide

Nu zelfstandig aan de slag
Kies een tekst.

Moeilijk
Makkelijk

Slide 20 - Slide