Les 5 26/27

Les 5 2026/2027
- Hoe was HoCo?
- Wat gaan we vandaag doen?
- Hoe is het met je huiswerk?;
- werkwoordspelling;
- lezen;
- spelling.


1 / 109
next
Slide 1: Slide
Nederlands

This lesson contains 109 slides, with interactive quizzes, text slides and 5 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 5 2026/2027
- Hoe was HoCo?
- Wat gaan we vandaag doen?
- Hoe is het met je huiswerk?;
- werkwoordspelling;
- lezen;
- spelling.


Slide 1 - Slide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 2 - Slide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 3 - Slide

Werkwoordspelling

Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 6 - Slide

Even oefenen

Maak de volgende oefeningen

Slide 7 - Slide

Ik kan me nog goed ........ hoe mijn oude huis was.
A
herrinneren
B
herinneren
C
herrineren
D
herineren

Slide 8 - Quiz

Hij ...... (klimmen) in zijn boomhut en ............. (bespieden) daar nu een broedende arend.

Slide 9 - Open question

Hij ........ de verpakking zo op straat.
A
gooid
B
gooidt
C
goit
D
gooit

Slide 10 - Quiz

Papa ........zijn trui. (uittrekken).

Slide 11 - Open question

Hij ........ (brunchen) elke zondag met de hele familie.

A
brunchd
B
bruncht
C
brunchdt
D
brunched

Slide 12 - Quiz

Waarom...........jij die stoel met die gekke jaren '70 stof? (bekleden)

Slide 13 - Open question

Het geweerschot ........ lang na tussen de bomen.


echo'de
echode
echoode
A
echo'd
B
echoot
C
echood
D
klop

Slide 14 - Quiz

.......... het plan drastisch zodra de gemeente de toegezegde subsidie intrekt? (Veranderen)

Slide 15 - Open question

Sonja ........ om haar grappige kleine zusje. (giechelen)
A
giecheld
B
giegeld
C
giechelt
D
giegelt

Slide 16 - Quiz

............... jij de trap van het kasteel maar, of ...... je dat je de regels dan .......... .........? (betreden, denken, overtreden)

Slide 17 - Open question

De taxichauffeur ........ mij bij het hotel. (droppen)

A
dropdt
B
dropped
C
dropt
D
dropd

Slide 18 - Quiz

..............jij even aan de politie dat iemand hier in de straat veel te hard .....? (melden, rijden)

Slide 19 - Open question

De wond...... nogal nu hij met zijn hoofd tegen een steen is gevallen (bloeden).

Slide 20 - Open question

Mila ........haar jas. (ophangen).

Slide 21 - Open question

We gaan een tekst lezen
Kijk of mee op het scherm om lees het via je eigen printje.
Kijk goed naar de belangrijke 5 vragen.
Probeer die te beantwoorden.
Schrijf alle woorden die je niet begrijpt op.

Slide 22 - Slide

Van B1 naar B2: Leesstrategie (geldt ook voor luisteren) 
Kijk eerst naar de 5 BELANGRIJKE vragen (vraag je dit ALTIJD af):

- Waar gaat deze tekst over?
- Wat is de belangrijkste boodschap?
- Waarom heeft de schrijver deze tekst geschreven?
- Welke argumenten/voorbeelden gebruikt de schrijver?
- Wat moet ik afleiden?

Slide 23 - Slide

Leestekst
De transformatie van de binnenstad
De opkomst van het hybride werken heeft de dynamiek in moderne steden ingrijpend veranderd. Waar kantorensteden voorheen van negen tot vijf bruisten van de activiteit, kampen deze gebieden nu met een structurele leegloop op de traditionele 'thuiswerkdagen' zoals de woensdag en de vrijdag. 

Slide 24 - Slide

Leestekst
Deze verschuiving heeft verstrekkende gevolgen voor de lokale economie. Vooral de horeca en kleine detailhandel, die voorheen floreerden dankzij de dagelijkse stroom kantoorpersoneel, moeten hun bedrijfsmodel noodgedwongen herzien. Sommige ondernemers kiezen ervoor om hun openingstijden te verkorten, terwijl anderen zich richten op een compleet nieuwe doelgroep: de buurtbewoner in plaats van de forens.

Slide 25 - Slide

Leestekst
Critici waarschuwen dat deze ontwikkeling de sociale cohesie in stadscentra kan aantasten. Een verlaten zakendistrict straalt immers weinig gezelligheid uit en kan op den duur zelfs een gevoel van onveiligheid in de hand werken. Daarentegen zien stedenbouwkundigen juist een unieke kans om de leefbaarheid in de stad te vergroten. 

Slide 26 - Slide

Leestekst
Nu er minder parkeerplaatsen en kantoorruimtes nodig zijn, ontstaat er letterlijk ruimte voor vergroening en woningbouw. Door leegstaande kantoorpanden om te bouwen tot betaalbare appartementen, kan de binnenstad transformeren van een puur functionele werkplek naar een levendige, multifunctionele wijk waar wonen, werken en recreëren hand in hand gaan.

Slide 27 - Slide

Begrijp je de tekst?

Waar gaat de tekst over?

Slide 28 - Slide

Van B1 naar B2: Leesstrategie (geldt ook voor luisteren) 
Kijk eerst naar de 5 BELANGRIJKE vragen (vraag je dit ALTIJD af):

- Waar gaat deze tekst over?
- Wat is de belangrijkste boodschap?
- Waarom heeft de schrijver deze tekst geschreven?
- Welke argumenten/voorbeelden gebruikt de schrijver?
- Wat moet ik afleiden?

Slide 29 - Slide

Waar gaat deze tekst over?

Slide 30 - Open question

Wat is de belangrijkste boodschap?

Slide 31 - Open question

Waarom heeft de schrijver deze tekst geschreven?

Slide 32 - Open question

Welke argumenten/voorbeelden gebruikt de schrijver?

Slide 33 - Open question

Om een Elfstedentocht te kunnen houden is een minimumdikte van de ijslaag ........
A
verijsd verijst
B
vereisd
C
vereist
D
vereisdt

Slide 34 - Quiz

Wat moet ik afleiden?

Slide 35 - Open question

Wat is de hoofdgedachte van de eerste alinea?
A
Thuiswerken zorgt ervoor dat de horeca in de weekenden veel drukker is geworden.
B
De verschuiving naar hybride werken dwingt lokale ondernemers om zich aan te passen aan een nieuwe realiteit.
C
Kantorensteden lopen volledig leeg omdat niemand meer op kantoor wil werken.
D
De detailhandel in de binnenstad moet definitief de deuren sluiten door het gebrek aan forensen.

Slide 36 - Quiz

Waarom?
Uitleg: De alinea beschrijft hoe thuiswerken de dynamiek verandert en sluit af met de kern dat ondernemers hierdoor "hun bedrijfsmodel noodgedwongen moeten herzien" (aanpassen).

Slide 37 - Slide

Wat is de belangrijkste reden waarom veel steden hun binnenstad momenteel herinrichten?

Slide 38 - Open question

Welk gevolg van de leegloop op woensdag en vrijdag wordt in de tekst genoemd?
A
Ondernemers verhogen hun prijzen om het verlies aan klanten te compenseren.
B
Er ontstaan grote parkeerproblemen in de woonwijken rondom de stad.
C
Sommige winkels en horecazaken besluiten minder uren open te gaan.
D
De overheid geeft extra subsidies aan de getroffen detailhandel.

Slide 39 - Quiz

Waarom?
In de tekst staat letterlijk: "Sommige ondernemers kiezen ervoor om hun openingstijden te verkorten". Dit betekent dat ze minder uren open zijn.

Slide 40 - Slide

Leg uit welk direct verband de tekst legt tussen het toenemende aantal thuiswerkers en het potentiële gevoel van onveiligheid in de binnenstad. Gebruik hierbij de tussenstappen die in de tweede alinea worden beschreven.

Slide 41 - Open question

Wat zien stedenbouwkundigen als een voordeel van de huidige situatie?
A
Er is minder budget nodig voor het onderhoud van grote kantoorpanden.
B
De vrijgekomen ruimte biedt kansen voor meer natuur en broodnodige huisvesting in de stad.
C
Forensen hoeven minder ver te reizen, wat beter is voor het milieu.
D
Bedrijven kunnen fors besparen op de huur van hun kantoorruimtes.

Slide 42 - Quiz

De tekst belicht de situatie vanuit twee verschillende perspectieven: die van de 'critici' en die van de 'stedenbouwkundigen'. Vat kort samen waarom de critici deze ontwikkeling als negatief zien, en waarom de stedenbouwkundigen het juist als een kans beschouwen.

Slide 43 - Open question

Waarom?
De tekst vermeldt dat er door de leegloop "letterlijk ruimte [ontstaat] voor vergroening (natuur) en woningbouw (huisvesting)".

Slide 44 - Slide

Wat betekent de uitdrukking "hand in hand gaan" in de laatste zin van de tekst?
A
Dat verschillende functies elkaar tegenwerken.
B
Dat bewoners vaker samenwerken om de wijk schoon te houden.
C
Dat er strenge regels komen voor het gebruik van de openbare ruimte.
D
Dat verschillende elementen heel goed met elkaar gecombineerd worden.

Slide 45 - Quiz

Waarom?
Dat verschillende elementen heel goed met elkaar gecombineerd worden.
Als wonen, werken en recreëren hand in hand gaan, betekent dit dat deze drie zaken harmonieus en tegelijkertijd plaatsvinden in de nieuwe multifunctionele wijk.

Slide 46 - Slide

In de eerste alinea wordt gesproken over ondernemers die hun bedrijfsmodel noodgedwongen moeten herzien. Leg in je eigen woorden uit welke twee verschillende strategieën ondernemers volgens de tekst toepassen om met de nieuwe situatie om te gaan.

Slide 47 - Open question

Moeilijke woorden

Beantwoord de volende vragen:

Slide 48 - Slide

Wat betekent het woord 'forens'?

Slide 49 - Open question

Wat betekent 'de sociale cohesie'?

Slide 50 - Open question

Wat betekent het woord 'stedenbouwkundige'?

Slide 51 - Open question

Wat betekent het woord 'floreren'?

Slide 52 - Open question

Wat betekent het woord 'aantasten'?

Slide 53 - Open question

Wat betekent het 'in de hand werken'?

Slide 54 - Open question

Werkwoorden in de verleden tijd

We gaan dit nog even herhalen
Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 55 - Slide

Slide 56 - Slide

Werkwoorden in de verleden tijd
Sterke en zwakke werkwoorden
Sterk: de klank verandert in de verleden tijd -> lopen/liepen
Zwak: de klank verandert niet in de verleden tijd  -> plakken/ plakten

Slide 57 - Slide

Slide 58 - Video

Stappenplan voor de vervoeging van werkwoorden in de verleden tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 59 - Slide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 60 - Slide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> zwaaien
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> zwaai -> 'i'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik zwaai
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); hij
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'i" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Conclusie: Stap 8b: -> hij zwaaide (of zij zwaaiden)

Slide 61 - Slide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter-> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 62 - Slide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> kleden
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> kled -> 'd'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik kleed
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'd" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'd' een 't exkofschipletter? -> NEE
Conclusie: Stap 8b: -> zij kleedden (of hij kleedde)

Slide 63 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 64 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> bakken
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> bak -> 'k'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik bak
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); ik
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'k' een 't exkorfschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> ik bakte (hij bakte/ zij bakten)

Slide 65 - Slide

Werkwoord: vluchten
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 66 - Slide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> vluchten
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> vlucht -> 't'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik vlucht
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> Is de 't' een 't exkofschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> zij vluchtten (ik vluchtte en hij vluchtte)

Slide 67 - Slide

Slide 68 - Video

Even oefenen

Beantwoord de volgende vragen: vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

Slide 69 - Slide

Welke acteur ........ destijds zijn gewonnen Gouden Kalf uit een taxi?
A
gooidde
B
gooiden
C
gooyde
D
gooide

Slide 70 - Quiz

Mijn tante ......... de appel (schillen).

Slide 71 - Open question

Onze kip legde drie eieren en ........ deze in twintig dagen uit.

A
broeide
B
broedde
C
broede
D
broeidde

Slide 72 - Quiz

Papa is zijn smaak kwijt, hij ....... de saus niet (proeven)

Slide 73 - Open question

De oude man ........ zich een weg door de menigte.

A
baandde
B
baande
C
baanden
D
baand

Slide 74 - Quiz

Het was een chaos: alle leerlingen ........ door elkaar (praten).

Slide 75 - Open question

De onderzoeker ........ de oorsprong van zijn familienaam en schreef daar een artikel over.
A
herleide
B
herleidde
C
herleed
D
herleiden

Slide 76 - Quiz

De schoolkrantredactie.......... de burgemeester is (interviewen)

Slide 77 - Open question

Met deze uitspraak ........ de minister op de bezuiniging.

A
doeldde
B
doelde
C
doelte
D
doelden

Slide 78 - Quiz

Het vliegtuig........ midden in de woestijn (landen).

Slide 79 - Open question

Bert ........ mij gisteren een reep chocola.





A
geefte
B
gaft
C
gaf
D
geefde

Slide 80 - Quiz

Hij ................... (praten) urenlang over zijn plannen voor de toekomst

Slide 81 - Open question

In de herfst vallen de          van de bomen. (blad)

Slide 82 - Open question

Dictee
Schrijf op de volgende slide de door mij genoemde woorden op en als we klaar zijn druk ja pas op 'enter'.

Slide 83 - Slide


Slide 84 - Open question

Nieuwe spellingsregel

In sommige woorden hoor je een 'c' die klinkt als 's' of 'k'

Slide 85 - Slide

Einde les
Ik geef je voor deze week niet heel veel huiswerk mee..

Gebruik je extra tijd om al het vorige huiswerk af te maken!!


Slide 86 - Slide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 87 - Slide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 88 - Slide

Huiswerk: Nieuwe oefeningen

- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging t.t.-> zie huiswerk deze week
- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging v.t.-> zie huiswerk deze week





Slide 89 - Slide

Een 'c' die klinkt als 's' of 'k'
Woorden met een 'c' zijn weetwoorden.
Als 's'-klank: De 'c' klinkt als een 's' wanneer er een e, i, y of ij achter de 'c' staat (zoals in citroen of cirkel).

Als 'k'-klank: De 'c' klinkt als een 'k' wanneer er een a, o, u of een medeklinker achter staat (zoals in clown of cadeau
 

Slide 90 - Slide

Slide 91 - Video

Slide 92 - Video

Slide 93 - Video

Woorden met 'c' klinkend als 's'
cel
cent
docent centrum
cirkel
centimeter cement
fascineer
fascisme

Slide 94 - Slide

Woorden met 'c' klinkend als 'k'
cavia                                      bioscoop
camera                                 scripy
club                                        microscoop
code cactus
reclame
score
disco

Slide 95 - Slide

Woorden met 'cc' klinkend als 'k'
accu
accuraat
broccoli
account

Slide 96 - Slide

Woorden met 'c' klinkend als 'k' of 's'
succes
accijns
accent
accepteer

Slide 97 - Slide

Even oefenen

Vul de volgende oefeningen in

Slide 98 - Slide

De juf is jarig, ik ga haar ...


A
felisiteren
B
felicciteren
C
feliciteren

Slide 99 - Quiz

Alle kinderen staan in een ... circel

cirke
A

Slide 100 - Quiz

Alle kinderen staan in een ...


A
sircel
B
cirkel
C
circel

Slide 101 - Quiz

De winkel ... geen briefjes van 500 euro.

A
aksepteert
B
accepteert
C
akcepteert

Slide 102 - Quiz

Au! Die ... heeft scherpe stekels.


A
caktus
B
kactus
C
cactus

Slide 103 - Quiz

De artiesten in het ... zijn erg grappig.


A
circus
B
sirkus
C
cirkus

Slide 104 - Quiz

5. Onder de ... ziet de onderzoeker een virus.


A
microscoop
B
microskoop
C
mikroscoop

Slide 105 - Quiz

Welke woorden zouden hier staan?
a.u
.avia
.a.tus

Slide 106 - Open question

Welke woorden zouden hier staan?
a.eptatie
bro.oli
.ijfers

Slide 107 - Open question

Welke woorden zouden hier staan?
.itroen
.ontra.t
a.ijns

Slide 108 - Open question

Huiswerk
Nieuwsbegrip:
Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!";
Geef aan of je dit tekstniveau 'lastig' vindt;
Zoek 5 woorden die je niet begrijpt op in een woordenboek.

Slide 109 - Slide