Grafieken 3D

Lineair of niet?
1 / 26
next
Slide 1: Slide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Lineair of niet?

Slide 1 - Slide

Tabel en grafiek
-

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Maken
Paragraaf 3.1
Bladzijde 120

Deze les af.

Slide 4 - Slide

Leerdoelen

Je kan van een woordformule een letterformule te maken

Je weet wat verbanden, variabelen en eenheden zijn
Je weet de betekenis van een rc.

Je kan een grafiek bij een formule tekenen
Lesdoelen (uitleg max 7 min)

Je oefent na uitleg direct met quizvragen.
Kiezen: voordoen tekenen grafiek?

Je maakt 7 opgaven in de les

Je kiest twee opgaven om thuis te maken (of in de les)

Slide 5 - Slide

Deze grafiek heet een ....
A
Lineaire grafiek
B
Vloeiende kromme

Slide 6 - Quiz

Deze grafiek stijgt
steeds sneller
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quiz

Formules
Wiskundewoorden:
Verbanden
Variabele
Eenheden

Van een woordformule een letterformule maken
Keer-teken: weglaten

Slide 8 - Slide

sdf

Welk verband zie je hier?
A
Inkomsten en tijd hebben een verband met elkaar
B
126 en tijd in maanden hebben een verband met elkaar

Slide 9 - Quiz

sdf
Wat zijn de eenheden van de verbanden?
A
80 en 126
B
€ en maanden

Slide 10 - Quiz

De variabelen zijn...
Y=3B+6
A
3 en B
B
3 en 6
C
YenB
D
6

Slide 11 - Quiz

sdf
Wat is de letterformule?
A
€ = 80 + 126 x tijd
B
I = 80 + 126t

Slide 12 - Quiz

Opdracht

Slide 13 - Slide

Tabel bij een formule

Slide 14 - Slide

Theorie
Stijggetal:
en
daalgetal:

Vanaf nu: Richtingscoëfficiënt (rc). 
Geeft de richting aan van de grafiek (stijgend of dalend)

Slide 15 - Slide

De grafiek bij deze formule is dalend:

K=3t7
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quiz

Van de volgende formule is de rc ....

I=86t
A
8
B
6
C
6t
D
-6

Slide 17 - Quiz

Opgave

Slide 18 - Slide

Zelfstandig werken
Maak opgaven 10, 11, 13 en 14, 16, 17, 18 in de les
blz 126.

Huiswerk: Kies twee opgaven uit van bladzijden 131 en 132.

Slide 19 - Slide

Welke woordformule past bij deze tabel?
A
Inhoud in L = 1000 - 40 x aantal km
B
Inhoud in L = 1000 - 0,4 x aantal km

Slide 20 - Quiz

Deze tabel hoort bij
een
lineaire grafiek
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quiz

De woordformule is...
A
Bedrag = 15 + 2,5 x aantal attracties
B
Bedrag = 2,50 + 15 x aantal attracties

Slide 22 - Quiz

Bekijk de grafiek hiernaast.
Wat is de woordformule die bij de grafiek
hoort?
A
Gewicht = 2 + 3,5 x t
B
Gewicht = 2 + 1,5 x t
C
t = 3,5 + 2 x Gewicht
D
Gewicht = 3,5 + 2 x t

Slide 23 - Quiz

=                         x
Ik ga overnachten in een hotel en per nacht  betaal ik 36 euro. 
Sleep de stukjes naar de juiste plek en maak deze woordformule.

Aantal nachten
36
Prijs in euro's
Hotel
12

Slide 24 - Drag question

Nog niet helemaal duidelijk?
Instructievideo van formule naar grafiek

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide