Woonhuizen in Goirle
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Examentraining
Huren, kopen en hypotheek: zo pak je examenvragen aan
Woonhuizen in Goirle
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Examentraining
Huren, kopen en hypotheek: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: UitGoirle / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan in een casus partijen herkennen en de interest, aflossing en belastingvoordeel van een hypotheek berekenen.
This item has no instructions
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is de lening, het rentepercentage en de looptijd?
2. Kies: lineair (aflossing gelijk) of annuïteit (totale last gelijk)?
3. Reken: interest = restschuld x rente, daarna de aflossing, daarna de restschuld.
4. Controleer: is de uitkomst logisch: daalt de interest, stijgt of daalt de totale last?
This item has no instructions
Het kantoor van de notaris, schilderij uit het Rijksmuseum
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Vraagtype 1: de partij herkennen
Je krijgt een casus en noemt de partij op de hypotheekmarkt.
Let op wie het geld uitleent, wie het huis als onderpand geeft en wie adviseert of vastlegt.
Voorbeeld: wie de akte laat passeren, is bij de notaris.
Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0
Daan en Lotte tekenen de hypotheek voor hun woning. Wie legt de akte officieel vast?
De makelaar
De hypotheekadviseur
De hypotheeknemer
De notaris
Syllabus 11.3.2: de notaris legt de koop en de hypotheek vast in een akte. Verwachte fout: makelaar, omdat die de koop heeft geregeld.
Een bank leent € 280.000 aan Marek voor zijn woning. Wie is wie?
Bank: hypotheekgever. Marek: hypotheeknemer
Bank: hypotheeknemer. Marek: hypotheekadviseur
Bank: makelaar. Marek: hypotheekgever
Bank: hypotheeknemer. Marek: hypotheekgever
Syllabus 11.3.2: de bank neemt het recht van hypotheek (hypotheeknemer), Marek geeft dat recht op zijn woning (hypotheekgever). Verwachte fout: omdraaien, omdat de bank het geld geeft.
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Vraagtype 2: lineaire lening berekenen
Je berekent de aflossing, de interest en de totale last in een bepaald jaar.
Stap 1: aflossing per jaar = lening : looptijd. Stap 2: interest = restschuld x rente.
Let op: in jaar 2 reken je interest over de restschuld na jaar 1, niet over de hele lening.
This item has no instructions
Tessa leent € 180.000 lineair, 30 jaar, 4%. Wat is haar totale last in jaar 1?
€ 12.960
€ 13.200
€ 7.200
€ 6.240
Syllabus 11.3.4. Aflossing 180.000 / 30 = 6.000. Interest 4% van 180.000 = 7.200. Totaal 13.200. Nagerekend: 7.200 + 6.000 = 13.200. Fouten: 12.960 is interest over de restschuld na de aflossing (174.000 x 4% = 6.960) plus 6.000; 7.200 is alleen de interest; 6.240 is 6.000 plus 4% over de aflossing.
Lineaire lening: € 90.000, 15 jaar, 5%. Hoeveel is de interest in jaar 2?
€ 4.500
€ 3.900
€ 4.200
€ 10.200
Syllabus 11.3.4. Aflossing 90.000 / 15 = 6.000. Restschuld na jaar 1: 84.000. Interest jaar 2: 5% van 84.000 = 4.200. Nagerekend: 84.000 x 0,05 = 4.200. Fouten: 4.500 is de interest van jaar 1; 3.900 is 5% van 78.000, de restschuld na jaar 2; 10.200 is de totale last van jaar 2 (4.200 + 6.000).
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Vraagtype 3: annuïteit berekenen
Bij een annuïteitenlening staat de annuïteit gegeven.
Interest = restschuld x rente. Aflossing = annuïteit min interest.
Voor het volgende jaar: nieuwe restschuld = oude restschuld min de aflossing, dan opnieuw interest en aflossing.
This item has no instructions
Annuïteitenlening € 150.000, 4%, annuïteit € 9.602. Hoeveel is de aflossing in jaar 1?
€ 3.602
€ 6.000
€ 9.602
€ 15.602
Syllabus 11.3.4. Interest 4% van 150.000 = 6.000. Aflossing 9.602 - 6.000 = 3.602. Nagerekend: 3.602 + 6.000 = 9.602. Fouten: 6.000 is de interest; 9.602 is de annuïteit zelf; 15.602 is optellen in plaats van aftrekken.
Annuïteitenlening € 120.000, 5%, annuïteit € 9.629. Hoeveel is de aflossing in jaar 2?
€ 3.629
€ 3.810
€ 5.819
€ 6.000
Syllabus 11.3.4. Jaar 1: interest 5% van 120.000 = 6.000, aflossing 9.629 - 6.000 = 3.629, restschuld 116.371. Jaar 2: interest 5% van 116.371 = 5.818,55 (afgerond 5.819), aflossing 9.629 - 5.819 = 3.810. Nagerekend: 3.810 + 5.819 = 9.629. Fouten: 3.629 is de aflossing van jaar 1; 5.819 is de interest van jaar 2; 6.000 is de interest van jaar 1.
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Vraagtype 4: fiscaal en vergelijken
Je berekent het belastingvoordeel of de netto last, of je vergelijkt de twee vormen.
Belastingvoordeel = interest x belastingtarief. Alleen de interest telt mee, niet de aflossing.
Vergelijken: lineair kost in totaal minder interest, annuïteit heeft een vaste jaarlast.
This item has no instructions
Lineaire lening € 300.000, 30 jaar, 3%. Interest is aftrekbaar tegen 37%. Netto last jaar 1?
€ 11.970
€ 5.670
€ 22.330
€ 15.670
Syllabus 11.3.5. Aflossing 300.000 / 30 = 10.000. Interest 3% van 300.000 = 9.000. Totale last 19.000. Belastingvoordeel 37% van 9.000 = 3.330. Netto last 19.000 - 3.330 = 15.670. Het tarief van 37% is hier een gegeven uit de opgave. Fouten: 11.970 is ook de aflossing aftrekken (19.000 x 0,63); 5.670 is alleen de interest min het voordeel; 22.330 is het voordeel er bij optellen.
Lening, rente en looptijd zijn gelijk. Welke vorm kost in totaal de minste interest?
De lineaire lening: de restschuld daalt sneller
De annuïteitenlening: de jaarlast is vast
De annuïteitenlening: de aflossing groeit later
Allebei evenveel: de rente is gelijk
Syllabus 11.3.5. Bij lineair is de aflossing in de eerste jaren hoger, dus is de restschuld sneller lager en komt er minder interest bij. Verwachte fout: annuïteit kiezen omdat de jaarlast lager is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
De partij herkennen
Een lineaire lening berekenen
Een annuïteitenlening berekenen
Fiscaal en vergelijken
Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen met een nieuwe som.
EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN
Tips voor op het examen
Bereken de interest altijd over de restschuld aan het begin van het jaar.
Lineair: de aflossing is gelijk. Annuïteit: de totale last is gelijk.
Alleen de interest is aftrekbaar, niet de aflossing. Het tarief staat in de opgave.
Rond af zoals de opgave vraagt en reken een tweede keer na.
This item has no instructions