Huren, kopen en hypotheek (Bedrijfseconomie havo), les 2: Examentraining

Woonhuizen in Goirle

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Examentraining

Huren, kopen en hypotheek: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining: partijen herkennen, een lineaire lening en een annuïteitenlening berekenen en fiscale gevolgen en vormen vergelijken, met acht vragen in examenstijl.

Items in this lesson

Woonhuizen in Goirle

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Examentraining

Huren, kopen en hypotheek: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: UitGoirle / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een casus partijen herkennen en de interest, aflossing en belastingvoordeel van een hypotheek berekenen.

This item has no instructions

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is de lening, het rentepercentage en de looptijd?

  • 2. Kies: lineair (aflossing gelijk) of annuïteit (totale last gelijk)?

  • 3. Reken: interest = restschuld x rente, daarna de aflossing, daarna de restschuld.

  • 4. Controleer: is de uitkomst logisch: daalt de interest, stijgt of daalt de totale last?

This item has no instructions

Het kantoor van de notaris, schilderij uit het Rijksmuseum

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Vraagtype 1: de partij herkennen

  • Je krijgt een casus en noemt de partij op de hypotheekmarkt.

  • Let op wie het geld uitleent, wie het huis als onderpand geeft en wie adviseert of vastlegt.

  • Voorbeeld: wie de akte laat passeren, is bij de notaris.

Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0

Daan en Lotte tekenen de hypotheek voor hun woning. Wie legt de akte officieel vast?

A

De makelaar

B

De hypotheekadviseur

C

De hypotheeknemer

D

De notaris

Syllabus 11.3.2: de notaris legt de koop en de hypotheek vast in een akte. Verwachte fout: makelaar, omdat die de koop heeft geregeld.

Een bank leent € 280.000 aan Marek voor zijn woning. Wie is wie?

A

Bank: hypotheekgever. Marek: hypotheeknemer

B

Bank: hypotheeknemer. Marek: hypotheekadviseur

C

Bank: makelaar. Marek: hypotheekgever

D

Bank: hypotheeknemer. Marek: hypotheekgever

Syllabus 11.3.2: de bank neemt het recht van hypotheek (hypotheeknemer), Marek geeft dat recht op zijn woning (hypotheekgever). Verwachte fout: omdraaien, omdat de bank het geld geeft.

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Vraagtype 2: lineaire lening berekenen

  • Je berekent de aflossing, de interest en de totale last in een bepaald jaar.

  • Stap 1: aflossing per jaar = lening : looptijd. Stap 2: interest = restschuld x rente.

  • Let op: in jaar 2 reken je interest over de restschuld na jaar 1, niet over de hele lening.

This item has no instructions

Tessa leent € 180.000 lineair, 30 jaar, 4%. Wat is haar totale last in jaar 1?

A

€ 12.960

B

€ 13.200

C

€ 7.200

D

€ 6.240

Syllabus 11.3.4. Aflossing 180.000 / 30 = 6.000. Interest 4% van 180.000 = 7.200. Totaal 13.200. Nagerekend: 7.200 + 6.000 = 13.200. Fouten: 12.960 is interest over de restschuld na de aflossing (174.000 x 4% = 6.960) plus 6.000; 7.200 is alleen de interest; 6.240 is 6.000 plus 4% over de aflossing.

Lineaire lening: € 90.000, 15 jaar, 5%. Hoeveel is de interest in jaar 2?

A

€ 4.500

B

€ 3.900

C

€ 4.200

D

€ 10.200

Syllabus 11.3.4. Aflossing 90.000 / 15 = 6.000. Restschuld na jaar 1: 84.000. Interest jaar 2: 5% van 84.000 = 4.200. Nagerekend: 84.000 x 0,05 = 4.200. Fouten: 4.500 is de interest van jaar 1; 3.900 is 5% van 78.000, de restschuld na jaar 2; 10.200 is de totale last van jaar 2 (4.200 + 6.000).

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Vraagtype 3: annuïteit berekenen

  • Bij een annuïteitenlening staat de annuïteit gegeven.

  • Interest = restschuld x rente. Aflossing = annuïteit min interest.

  • Voor het volgende jaar: nieuwe restschuld = oude restschuld min de aflossing, dan opnieuw interest en aflossing.

This item has no instructions

Annuïteitenlening € 150.000, 4%, annuïteit € 9.602. Hoeveel is de aflossing in jaar 1?

A

€ 3.602

B

€ 6.000

C

€ 9.602

D

€ 15.602

Syllabus 11.3.4. Interest 4% van 150.000 = 6.000. Aflossing 9.602 - 6.000 = 3.602. Nagerekend: 3.602 + 6.000 = 9.602. Fouten: 6.000 is de interest; 9.602 is de annuïteit zelf; 15.602 is optellen in plaats van aftrekken.

Annuïteitenlening € 120.000, 5%, annuïteit € 9.629. Hoeveel is de aflossing in jaar 2?

A

€ 3.629

B

€ 3.810

C

€ 5.819

D

€ 6.000

Syllabus 11.3.4. Jaar 1: interest 5% van 120.000 = 6.000, aflossing 9.629 - 6.000 = 3.629, restschuld 116.371. Jaar 2: interest 5% van 116.371 = 5.818,55 (afgerond 5.819), aflossing 9.629 - 5.819 = 3.810. Nagerekend: 3.810 + 5.819 = 9.629. Fouten: 3.629 is de aflossing van jaar 1; 5.819 is de interest van jaar 2; 6.000 is de interest van jaar 1.

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Vraagtype 4: fiscaal en vergelijken

  • Je berekent het belastingvoordeel of de netto last, of je vergelijkt de twee vormen.

  • Belastingvoordeel = interest x belastingtarief. Alleen de interest telt mee, niet de aflossing.

  • Vergelijken: lineair kost in totaal minder interest, annuïteit heeft een vaste jaarlast.

This item has no instructions

Lineaire lening € 300.000, 30 jaar, 3%. Interest is aftrekbaar tegen 37%. Netto last jaar 1?

A

€ 11.970

B

€ 5.670

C

€ 22.330

D

€ 15.670

Syllabus 11.3.5. Aflossing 300.000 / 30 = 10.000. Interest 3% van 300.000 = 9.000. Totale last 19.000. Belastingvoordeel 37% van 9.000 = 3.330. Netto last 19.000 - 3.330 = 15.670. Het tarief van 37% is hier een gegeven uit de opgave. Fouten: 11.970 is ook de aflossing aftrekken (19.000 x 0,63); 5.670 is alleen de interest min het voordeel; 22.330 is het voordeel er bij optellen.

Lening, rente en looptijd zijn gelijk. Welke vorm kost in totaal de minste interest?

A

De lineaire lening: de restschuld daalt sneller

B

De annuïteitenlening: de jaarlast is vast

C

De annuïteitenlening: de aflossing groeit later

D

Allebei evenveel: de rente is gelijk

Syllabus 11.3.5. Bij lineair is de aflossing in de eerste jaren hoger, dus is de restschuld sneller lager en komt er minder interest bij. Verwachte fout: annuïteit kiezen omdat de jaarlast lager is.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

De partij herkennen

2

Een lineaire lening berekenen

3

Een annuïteitenlening berekenen

4

Fiscaal en vergelijken

Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen met een nieuwe som.

EXAMENSTOF · PERSOON · WONEN

Tips voor op het examen

  • Bereken de interest altijd over de restschuld aan het begin van het jaar.

  • Lineair: de aflossing is gelijk. Annuïteit: de totale last is gelijk.

  • Alleen de interest is aftrekbaar, niet de aflossing. Het tarief staat in de opgave.

  • Rond af zoals de opgave vraagt en reken een tweede keer na.

This item has no instructions