Feit, mening en toon (Nederlands vmbo), les 1: Uitleg

Voorpagina van het Haarlems Dagblad met een grote foto en een kop

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Feit, mening en toon

Examenstof Nederlands vmbo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over feit en mening, argumenten, een oordeel met tekstgegevens en talige middelen als overdrijving, spot, toon en reclametaal. Met drie korte teksten en 6 checks. Voor leesvaardigheid vmbo (NE/K/6, eindterm 10 en 11).

Items in this lesson

Voorpagina van het Haarlems Dagblad met een grote foto en een kop

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Feit, mening en toon

Examenstof Nederlands vmbo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: NE/K/6, eindterm 10 (talige middelen zoals overdrijving en spot) en eindterm 11 (oordeel met tekstgegevens); feit en mening als voorbereiding daarop. Image credit: Cees de Boer / Noord-Hollands Archief via Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Wat ga je kunnen?

Ik kan feit en mening scheiden, talige middelen als overdrijving en spot herkennen en een oordeel over een tekst onderbouwen met een tekstgegeven.

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen iets weten en iets vinden? Noem voorbeelden.

Verwacht: weten is wat klopt (datum, prijs, naam), vinden is je eigen idee (lekker, mooi, te duur). Schrijf twee kolommen op het bord en laat leerlingen woorden uit de leefwereld invullen. Veelgemaakte fout: een mening zonder 'ik vind' toch als feit zien, bijvoorbeeld 'Dit is de beste pizza'.

Voorpagina van het Haarlems Dagblad met een grote foto en een kop

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Feit of mening?

  • Een feit kun je controleren: het klopt of het klopt niet.

  • Een mening is wat iemand vindt. Je kunt het eens of oneens zijn.

  • 'De kantine sluit om half twee.' is een feit. Je kunt het nakijken.

  • 'De kantine is te duur.' is een mening.

Feit en mening vormen de basis voor eindterm 11 (oordeel geven over een tekst). Op het examen vraagt een vraag soms welke zin een feit of een mening is, vooral in betogende teksten zoals een opiniestuk. Veelgemaakte fout: denken dat een zin met een cijfer altijd een feit is. 'Dit is veel te duur' bevat geen cijfer en is een mening, 'Het kost 5 euro' kun je nakijken. Image credit: Cees de Boer / Noord-Hollands Archief via Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Signalen voor een mening

  • Woorden als 'ik vind', 'volgens mij' en 'naar mijn idee' wijzen op een mening.

  • Oordeelwoorden zoals mooi, saai, slecht, te veel en beter wijzen ook op een mening.

  • 'Moeten' en 'zouden moeten' horen bij een mening: 'Er moet meer fruit komen.'

  • Getallen, datums en namen horen vaak bij een feit.

  • Let op: een mening kan als feit klinken. Vraag je af: kan ik dit controleren?

Laat leerlingen zelf zinnen verzinnen en door de buurman sorteren. Veelgemaakte fout: 'de beste' als feit zien. Zo'n oordeelwoord maakt van de zin een mening, ook zonder 'ik vind'.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Tekst 1: Telefoons in de les

(1) In de les mogen telefoons niet gebruikt worden. Aan het begin van de les gaan ze in een tas bij de deur.

(2) Ik vind dat een slecht plan. Een telefoon is handig om iets op te zoeken.

(3) Sommige docenten vinden het juist heerlijk rustig. In de gang mag je wel appen.

Eigen tekst voor Examenstof

Alinea 1 geeft feiten (de regel en wat er met de telefoons gebeurt). Alinea 2 bevat een mening met 'Ik vind' en 'slecht'. In alinea 3 staat de mening van docenten ('heerlijk rustig'). Vraag: wat zou een leerling als argument noemen?

Welke zin uit tekst 1 is een mening?

A

In de les mogen telefoons niet gebruikt worden.

B

Aan het begin van de les gaan ze in een tas.

C

In de gang mag je wel appen.

D

Ik vind dat een slecht plan.

'Ik vind' en 'slecht' laten een mening zien. De andere zinnen beschrijven de regels en kun je nakijken. Verwachte fout: de eerste zin kiezen omdat er een regel in staat die leerlingen vervelend vinden.

Vul in

Een feit kun je controleren, een mening niet. Een zin met 'ik vind' is daarom meestal een mening.

feit
mening
vind
argument
spot

Feit, mening en het signaal 'ik vind'. Verwachte fout: 'argument' bij het tweede gat, omdat een argument ook met een mening te maken heeft.

Een leerling leest een folder in de klas, Ghana

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Mening en argument

  • Een argument is de reden bij een mening: waarom vindt iemand dat?

  • Signaalwoorden: 'omdat', 'want', 'daarom' en 'bijvoorbeeld'.

  • Mening: 'Het huiswerk moet korter.' Argument: 'Want ik ben na school moe.'

  • Een mening met argumenten is sterker dan een mening alleen.

Syllabus eindterm 6 noemt de tekstrelatie 'argumenten - conclusie'. Bij een betogende tekst staat de mening vaak vooraan of achteraan en volgen de argumenten ertussen. Veelgemaakte fout: de mening zelf als argument opschrijven in plaats van de reden erbij. Image credit: Esthee2010 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Een oordeel over de tekst

  • Een oordeel is wat jij van een tekst vindt, bijvoorbeeld overtuigend, eenzijdig of duidelijk.

  • Een goed oordeel heeft een tekstgegeven: iets wat echt in de tekst staat.

  • Voorbeeld: 'De tekst is eenzijdig, want alleen voordelen worden genoemd.'

  • 'Ik vind hem leuk' is geen goed oordeel op het examen.

Syllabus eindterm 11: een oordeel geven over de tekst en dit toelichten op grond van aanwijsbare tekstgegevens. Een tekstgegeven is een zin, woord of kenmerk dat je kunt aanwijzen (alinea, citaat, signaalwoord, opmaak). Veelgemaakte fout: een oordeel zonder tekstgegeven, bijvoorbeeld alleen 'de tekst is saai'.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Tekst 2: Fiets of bus?

(1) Marit fietst elke dag naar school. 'Ik vind fietsen veel beter dan de bus', zegt ze. 'Het is gratis en ik ben meteen wakker.'

(2) Haar klasgenoot Daan neemt toch de bus. 'De bus is sneller en ik hoef niet in de regen te fietsen', zegt Daan.

Eigen tekst voor Examenstof

Marit vindt fietsen beter, met als argumenten dat het gratis is en dat ze meteen wakker is. Daan kiest de bus, met als argumenten dat die sneller is en dat hij niet in de regen hoeft te fietsen. Beide gebruiken een eigen mening met een reden.

Welk argument geeft Marit voor de fiets?

A

De bus is sneller en droog

B

Je woont ver van school

C

Je hoeft niet te wachten op de bus

D

Het is gratis en je bent meteen wakker

Alinea 1: 'Het is gratis en ik ben meteen wakker.' De andere opties zijn argumenten van Daan of niet in de tekst genoemd. Verwachte fout: 'De bus is sneller en droog', omdat dat het argument van de ander is.

Geef een argument van Daan voor de bus.

Modelantwoord (1 punt): de bus is sneller, of: je hoeft niet in de regen te fietsen. Beide goed rekenen. Verwachte fout: alleen 'Daan neemt de bus', dat is geen argument maar een keuze.

Reclamezuil langs een gracht in Amsterdam, 2022

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Overdrijving en spot

  • Met overdrijving maakt de schrijver iets groter of mooier dan het is.

  • Voorbeeld: 'Dit is de allerbeste pizza ooit.'

  • Met spot maakt de schrijver iets belachelijk, vaak door te zeggen wat niet bedoeld is.

  • Voorbeeld: 'Wat een mooi weer!' terwijl het hard regent.

Syllabus eindterm 10: talige middelen herkennen die de schrijver inzet om het doel te bereiken, zoals overdrijving en spot. Zo'n middel helpt het schrijfdoel te halen: overdrijving om te overtuigen of te amuseren, spot om iets belachelijk te maken. Op de foto: een grote, stevige reclamezin. Veelgemaakte fout: spot en overdrijving door elkaar halen. Bij spot bedoelt de schrijver het tegenovergestelde van wat er staat. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Toon en reclametaal

  • De toon is de sfeer van een tekst: serieus, boos, grappig of spottend.

  • Reclametaal maakt iets zo mooi mogelijk: 'de allerbeste', 'nu gratis', 'kom snel'.

  • Reclame gebruikt vaak overdrijving en korte, stevige zinnen.

  • Kijk of de schrijver iets mooier of slechter maakt dan het is.

Toon en reclametaal zijn eigen omschrijvingen bij de syllabusstof over talige middelen en betogende teksten (reclame, advertenties, folders). Laat leerlingen een toon kiezen bij zinnen uit hun eigen apps. Veelgemaakte fout: denken dat de toon hetzelfde is als het onderwerp.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Tekst 3: Turbo-sneakers

(1) Voel je je moe in de gymles? Met de Turbo-sneakers ren je sneller dan de wind! Dit zijn de allerbeste schoenen van de hele wereld.

(2) Nu voor maar 49 euro. Kom snel, want op is op!

Eigen tekst voor Examenstof

Reclametekst met overdrijving ('sneller dan de wind', 'allerbeste schoenen van de hele wereld'), een lage prijs en haast ('Kom snel'). De toon is enthousiast en overdreven. Het schrijfdoel is overtuigen en tot handelen aanzetten.

Welk talig middel gebruikt de schrijver hier?

Met de Turbo-sneakers ren je sneller dan de wind!

A

Spot

B

Overdrijving

C

Een opsomming

D

Een voorwaarde

'Sneller dan de wind' is niet waar: een schoen maakt niemand zo snel. Verwachte fout: spot, omdat leerlingen overdrijving en spot door elkaar halen.

Wat is de toon van tekst 3?

A

Serieus en zakelijk

B

Boos en teleurgesteld

C

Enthousiast en overdreven

D

Droevig en rustig

Uitroeptekens, 'allerbeste' en 'Kom snel' geven een enthousiaste, overdreven toon. Verwachte fout: serieus en zakelijk, omdat er een prijs staat.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Feit of mening

2

Argumenten vinden

3

Overdrijving of spot

4

Een oordeel onderbouwen

Bespreek de uitkomst en neem in de training het gekozen onderdeel extra mee.

Verzin een reclamezin met een overdrijving.

Verwacht bijvoorbeeld 'De allerlekkerste chips van het hele land!' Laat een paar zinnen voorlezen en vraag de klas welk woord de overdrijving is.

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Begrippen (1/2)

  • feit: iets wat je kunt controleren

  • mening: wat iemand vindt

  • argument: de reden bij een mening

  • oordeel: wat jij van een tekst vindt

  • tekstgegeven: iets wat echt in de tekst staat, waarmee je je oordeel onderbouwt

This item has no instructions

EXAMENSTOF NEDERLANDS · LEESVAARDIGHEID · FEIT/MENING

Begrippen (2/2)

  • overdrijving: iets groter of mooier maken dan het is

  • spot: iets belachelijk maken, vaak door het tegenovergestelde te zeggen

  • toon: de sfeer van een tekst, zoals serieus of grappig

  • reclametaal: taal die iets zo mooi mogelijk maakt, zoals 'de allerbeste'

This item has no instructions