Zinsbouw - groep 5/6

Zinsbouw 
groep 5/6
1 / 45
next
Slide 1: Slide
TaalBasisschoolGroep 5,6

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Zinsbouw 
groep 5/6

Slide 1 - Slide

lesdoelen
1.  Ik kan uitleggen wat de volgende woordsoorten zijn: 
een lidwoord, een naamwoord, een werkwoord en een voorzetsel.
2. Ik kan de woordsoorten herkennen in een zin.

Ik loop rechts naast het lieve meisje

Slide 2 - Slide

Waarom?

Slide 3 - Slide

letter:               s
woord:            Sigrid
zin:                   Ik ben juf Sigrid
Verhaal:         Ik ben juf Sigrid. Ik ben logopedist en werk op de                                   Weerklank. Dit jaar werk ik in groep 1/2, 3/4 en 5/6. 

Slide 4 - Slide

De vakantie is afgelopen.
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 5 - Quiz

We hebben net vakantie gehad. Ik vertel de juf wat ik allemaal heb gedaan. Wat was het leuk. Nu moet ik weer naar school.
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 6 - Quiz

vakantie
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 7 - Quiz

loop
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 8 - Quiz

Van mijn moeder moet ik een brood halen. Ik loop naar de bakker. Het ruikt lekker. Het brood kost 2 euro.
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 9 - Quiz

Mijn broer loopt naar zijn kamer.
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 10 - Quiz

De hond loopt door het park. Hij rent naar zijn baasje en is heel blij. Zijn baasje gooit een stok en de hond pakt de stok weer op.
A
woord
B
zin
C
verhaal

Slide 11 - Quiz

lidwoord
de
het
een

Slide 12 - Slide

Ik zit op de stoel
A
ik
B
de
C
zit
D
stoel

Slide 13 - Quiz

Pim en Mia zwemmen in het water.
A
Pim
B
het
C
in
D
zwemmen

Slide 14 - Quiz

Ik loop naar de kast.
Wat is het lidwoord?

Slide 15 - Open question

Ik wil een ijsje.
Wat is het lidwoord?

Slide 16 - Open question

Noem de lidwoorden.

Slide 17 - Open question

naamwoord
1. Kun je er  de, het of een voor zetten?
2. Is het een mens, dier of ding?

Slide 18 - Slide

naamwoord

Slide 19 - Mind map

De aap springt in de boom.
Wat is het naamwoord (2) ?

Slide 20 - Open question

Het glas staat op de tafel.
A
de
B
op
C
tafel
D
staat

Slide 21 - Quiz

De groene auto staat voor de school.
A
groene
B
voor
C
de
D
school

Slide 22 - Quiz

In de klas luisteren de kinderen goed.
Wat is het naamwoord (2)?

Slide 23 - Open question

werkwoord
Een werkwoord laat zien wat er gedaan wordt in een zin
Kun je het doen?

doe-woorden

Slide 24 - Slide

werkwoorden

Slide 25 - Mind map

Ik zwem graag in het weekend.
A
zwem
B
in
C
weekend
D
graag

Slide 26 - Quiz

Oma bakt appeltaart voor opa.
A
oma
B
opa
C
bakt
D
appeltaart

Slide 27 - Quiz

De juf staat voor de klas.
Wat is het werkwoord?

Slide 28 - Open question

In het bos rennen veel kinderen rond.
Wat is het werkwoord?

Slide 29 - Open question

voorzetsel
1. Gaat het over een plaats?
2. Kun je er de kooi achter zetten?

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

De vogel zit in de kooi.
A
in
B
kooi
C
de
D
vogel

Slide 32 - Quiz

De meester staat voor de klas.
A
meester
B
voor
C
de
D
klas

Slide 33 - Quiz

voorzetsels

Slide 34 - Mind map

De vogel vliegt tegen de muur aan.
Wat is het voorzetsel?

Slide 35 - Open question

Hij eet een ijsje op het muurtje.
Wat is het voorzetsel?

Slide 36 - Open question

De vogel vliegt langs de muur.
Wat is het voorzetsel?

Slide 37 - Open question

bijvoeglijk naamwoord
1. Het zegt iets over het naamwoord.
2. Is het een kenmerk van een mens, dier of ding?

Slide 38 - Slide

bijvoeglijk naamwoorden

Slide 39 - Mind map

Dat kleine meisje eet een lekker ijsje.
Wat is het bijv. naamoord (2)?

Slide 40 - Open question

Vul een bijv. naamwoord in.
de ....... appel

Slide 41 - Open question

bijwoord
1. Het zegt iets over waar (plaats)
2.Het zegt iets over wanneer (tijd)

Slide 42 - Slide

bijwoorden

Slide 43 - Mind map

Morgen haalt Jackie een voldoende.
Wat is het bijwoord?

Slide 44 - Open question

Hier mag je niet fietsen.
Wat is het bijwoord?

Slide 45 - Open question