14 april

Goedemorgen!
Leuk dat jullie er zijn :)
To do: maak de som van de dag, pak daarna een boek en ga lezen
Feitje van de dag: De Eiffeltoren kan in de zomer 15 cm groter worden door thermische uitzetting. Het ijzer warmt op, de deeltjes krijgen kinetische energie en zetten uit.
Som van de dag: Juf Carlijn heeft 93 potloden, maar ze gaat binnenkort verhuizen dus ze vindt dat ze alle potloden moet weggeven. Ze geeft ze weg aan 4 vriendinnen. Hoeveel potloden krijgt iedere vriendin?
1 / 10
next
Slide 1: Slide
SpellingBasisschoolGroep 6

This lesson contains 10 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Goedemorgen!
Leuk dat jullie er zijn :)
To do: maak de som van de dag, pak daarna een boek en ga lezen
Feitje van de dag: De Eiffeltoren kan in de zomer 15 cm groter worden door thermische uitzetting. Het ijzer warmt op, de deeltjes krijgen kinetische energie en zetten uit.
Som van de dag: Juf Carlijn heeft 93 potloden, maar ze gaat binnenkort verhuizen dus ze vindt dat ze alle potloden moet weggeven. Ze geeft ze weg aan 4 vriendinnen. Hoeveel potloden krijgt iedere vriendin?

Slide 1 - Slide

Ben je klaar met snappet?
Maak de volgende oefensommen in je rekenschrift aan de hand van de hapmethode. 
Hapmethode:
Stap 1: haal steeds een handig getal eraf (denk aan de tafel) tot je bij 0 bent.
Schrijf steeds rechts van het getal op met hoeveel je hebt vermenigvuldigd.
Stap 2: tel de getallen aan de rechterkant bij elkaar op.
Dit is het antwoord op de deelsom. 



1. 665 : 19 =
2. 3.515 : 95 =
3. 344 : 8 =
4. 392 : 14 =
5. 5.823 : 20 =
6. 3.842 : 26 =
7. 694 : 12 =
8. 732 : 15 =

Slide 2 - Slide




                                   Pak je wisbordje, schrijf het juiste woord bij de juiste zin. 
1. Wij vormen een ______ van drie kinderen.
2.  Er stond een grote ______ mensen bij het podium.
3. Ik heb nog maar ______ vijf snoepjes over.
4. Het glas is al ______, maar nog niet helemaal.
5. Er kwam een ______ kinderen het plein op gerend.
6. Kun jij ______ hoeveel knikkers er in de pot zitten?
7. Dit is de beste ______ van kleuren die ik ken.
8. Hij had ______ idee wat er gebeurde.
9. De beker zit helemaal ______.
10. We lezen een ______ boeken over avontuur.
11. Dat liedje hoort bij een ______ van drie muzikanten.
12. De ______ van sommen wordt steeds moeilijker.

De woorden
het drietal
menigte
een stuk of
halfvol
massa
schatten
combinatie
enig
vol
serie
trio
reeks

timer
20:00

Slide 3 - Slide

Koningsdag!

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Wat weet je al van koningsdag?
Bespreek kort met je buurmaatje

Slide 6 - Slide

Lesdoel
Leesdoel: Je leert meer over Koningsdag en hoe het is ontstaan.

Lesdoel: Je kunt verschillende vragen over de tekst beantwoorden, onder andere door terug te lezen in de tekst. Daarbij oefen je met vragen over verwijswoorden. 

Slide 7 - Slide

Tekst
Arceer de moeilijke woorden!

Slide 8 - Slide

Verwijswoorden
Verwijswoorden verwijzen naar iets of iemand in de tekst. Op de plaats van het verwijswoord kun je altijd een ander woord invullen en soms zelfs een zin.

Voorbeelden van verwijswoorden: hij, hem, deze, die
zij, haar, deze, die, het, dit, dat

Slide 9 - Slide

Hoe is het gegaan? 
Leesdoel: Je leert meer over Koningsdag en hoe het is ontstaan.
Lesdoel: Je kunt verschillende vragen over de tekst beantwoorden, onder andere door terug te lezen in de tekst. Daarbij oefen je met vragen over verwijswoorden. 

Slide 10 - Slide