Pak je wisbordje, schrijf het juiste woord bij de juiste zin.
1. Wij vormen een ______ van drie kinderen.
2. Er stond een grote ______ mensen bij het podium.
3. Ik heb nog maar ______ vijf snoepjes over.
4. Het glas is al ______, maar nog niet helemaal.
5. Er kwam een ______ kinderen het plein op gerend.
6. Kun jij ______ hoeveel knikkers er in de pot zitten?
7. Dit is de beste ______ van kleuren die ik ken.
8. Hij had ______ idee wat er gebeurde.
9. De beker zit helemaal ______.
10. We lezen een ______ boeken over avontuur.
11. Dat liedje hoort bij een ______ van drie muzikanten.
12. De ______ van sommen wordt steeds moeilijker.