What is LessonUp
Search
Channels
AI tools
Log in
Register
‹
Return to search
taallab deel 3
Lesdoelen
Na deze les:
kan je de
Engelse werkwoorden
correct vervoegen.
ken je het verschil tussen een
actieve en een passieve zin.
kan je het
handelend voorwerp
, het
onderwerp
en het
lijdend voorwerp
in een zin herkennen.
1 / 38
next
Slide 1:
Slide
Nederlands
Secundair onderwijs
This lesson contains
38 slides
, with
interactive quizzes
,
text slides
and
2 videos
.
Lesson duration is:
60 min
Start lesson
Save
Share
Print lesson
Items in this lesson
Lesdoelen
Na deze les:
kan je de
Engelse werkwoorden
correct vervoegen.
ken je het verschil tussen een
actieve en een passieve zin.
kan je het
handelend voorwerp
, het
onderwerp
en het
lijdend voorwerp
in een zin herkennen.
Slide 1 - Slide
Engelse werkwoorden in het Nederlands
Slide 2 - Slide
Engelse werkwoorden
Regel 1
: Infinitief in het Engels = stam in het Nederlands
Vb.: to save => ik save
to fax => ik fax
to shampoo => ik shampoo
Slide 3 - Slide
Engelse werkwoorden
Uitzondering 1
: je schrijft een enkele medeklinker als de Engelse stam eindigt op een dubbele medeklinker
Vb.: to grill => ik gril
to volleyball => ik volleybal
Slide 4 - Slide
Engelse werkwoorden
Maar
: je behoudt de dubbele medeklinker als de voorafgaande klinker op zijn Engels wordt uitgesproken.
Vb.: to baseball => ik baseball
to pass => ik pass
Slide 5 - Slide
Engelse werkwoorden
Uitzondering 2:
Verdubbel de o en verwijder de eind -e als de Engelse stam in de laatste uitgesproken lettergreep een lange /oo/ heeft
Vb.: to promote => ik promoot
Slide 6 - Slide
Engelse werkwoorden
Uitzondering 3:
Engelse werkwoord eindigt op
-le
Schrijf je in de Nederlandse stam -el, tenzij dat een andere uitspraak oproept.
to google --> ik goog
el
to scrabble --> ik scrabb
el
to recycle --> ik recyc
le
Slide 7 - Slide
VERLEDEN TIJD - VOLTOOID DEELWOORD
Kijk naar de stam (= werkwoord - 'en')
Komt de
laatste letter van de stam
in 't kofschip of x of een sisklank (/sj of :tsj)?
Dan schrijf je een -t.
Is dat niet het geval? Dan schrijf je een -d.
bv. geswich
t,
gedownloa
d,
gefake
t
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Video
Screeningsoefening
Werkboek p.261 - Oefening 1
Slide 10 - Slide
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Handelend voorwerp - actief en passief
Slide 13 - Slide
De zangeres werd door mijn buurman gestalkt.
Is dit een actieve of passieve zin?
Wat is het onderwerp van de zin?
Wie voert de handeling uit?
Slide 14 - Slide
Actief vs. Passief
Een zin is
actief
als het onderwerp van de zin de handeling uitvoert.
bv.
De tuinman maait elke week het gras.
Slide 15 - Slide
Actief vs. Passief
Een zin is
passief
als het onderwerp van de zin de handeling
NIET
uitvoert. Het onderwerp
ondergaat
de handeling.
bv.
Het gras wordt elke week door de tuinman gemaaid.
hulpwerkwoorden worden en zijn
Slide 16 - Slide
Actief vs. Passief
Bij het schrijven een actieve schrijfstijl hanteren.
Slide 17 - Slide
Handelend voorwerp
Een
handelend voorwerp
(HV) is de persoon of zaak (wie of wat) die de handeling in een
passieve zin
uitvoert.
Het handelend voorwerp begint steeds met
'DOOR'
bv. Het kind wordt
door zijn moeder
naar school gebracht.
Slide 18 - Slide
Handelend voorwerp
Passieve zin actief maken
--> handelend voorwerp wordt het onderwerp.
De les word
door de juf
gegeven. -->
De juf
geeft les.
actieve zin passief maken
--> onderwerp wordt het handelend voorwerp.
De juf
geeft les. --> De les word
door de juf
gegeven.
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Video
oefening
Werkboek p.267 ev. - Oefening 2 - 9
Slide 21 - Slide
QUIZ
Wat heb je onthouden van de les?
Slide 22 - Slide
Spelling: Engelse werkwoorden
Slide 23 - Slide
1. Ik ben vet __________
A
gestresst
B
gestrest
Slide 24 - Quiz
2. Ik heb met die jongen _________
A
gedatet
B
gedate
Slide 25 - Quiz
3. Ik had liever met je ____________
A
gechild
B
gechilld
Slide 26 - Quiz
4. Denk je eraan dat je dat document ________
A
savet
B
saved
Slide 27 - Quiz
5. Alles is weg! Het is ___________
A
gedelete
B
gedeletet
Slide 28 - Quiz
6. De tiener had de handtekening van zijn moeder _________
A
gefaked
B
gefaket
Slide 29 - Quiz
7. Mijn collega _________ mijn laptop terwijl ik een koffietje haalde.
A
upgradete
B
upgrade
C
upgradede
Slide 30 - Quiz
8. Mijn oma ________ elk bericht op Instagram dat ze ziet.
A
liked
B
liket
Slide 31 - Quiz
9. Gisteren ________ ze cocktails als een professionele barvrouw!
A
shakte
B
shakete
C
shakede
Slide 32 - Quiz
10. Ze vindt skiën leuk, maar _________ nog liever.
A
snowboardt
B
snowboard
C
snowboarded
Slide 33 - Quiz
11. Als je je microfoon ________ als je niet spreekt, scheelt dat veel ruis.
A
mute
B
mutet
C
muted
Slide 34 - Quiz
12. Hij _________ bijna elke maand wel een keer.
A
paraglidet
B
paraglided
C
paraglide
Slide 35 - Quiz
Actief/passief/handelend voorwerp
Slide 36 - Slide
1. De kinderen spelen elke week voetbal.
A
actieve zin
B
passieve zin
Slide 37 - Quiz
2. Mijn opa werd vorige weekend gevierd.
A
actief
B
passief
Slide 38 - Quiz
More lessons like this
Spelling T2L5: Ik, jij of wij
November 2025
-
14 slides
Nederlands
Lager onderwijs
T2L9: Supertalenten
October 2025
-
10 slides
Nederlands
Lager onderwijs
Les 2: Rome en Romeins Tongeren
March 2025
-
24 slides
Wereldoriëntatie
Gallo-Romeins Museum
Lager onderwijs
Mediawijsheid - Schaal van M
October 2025
-
14 slides
Mediawijsheid
Lager onderwijs
Vrij verkeer van goederen
February 2023
-
12 slides
Geschiedenis
Mens- en maatschappij
+2
Secundair onderwijs
T6L7: Restaurantrecensies
March 2025
-
15 slides
Nederlands
Lager onderwijs
EDUbox Energie: Een uitdaging voor jou en de wereld
December 2023
-
65 slides
Secundair onderwijs
EDUbox
Les 1 VRT Mobiliteit
March 2023
-
53 slides
Mediawijsheid
Secundair onderwijs
EDUbox