Ein-der-groep

De der-groep en de ein-groep
1 / 26
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

De der-groep en de ein-groep

Slide 1 - Slide

Naamvallen
Een naamval kan door een aantal dingen bepaald worden:

  • een voorzetsel -- rijtje van de 3e naamval of de 4e naamval
  • het zinsdeel (ontleden)

Slide 2 - Slide

Naamvallen
Een naamval kan door een aantal dingen bepaald worden:
- het zinsdeel (ontleden)
1e naamval = onderwerp (wie/wat + gez)

3e naamval = meewerkend voorwerp (aan of voor wie/wat)

4e naamval = lijdend voorwerp (wie/wat + gez + ondw)

Slide 3 - Slide

Het onderwerp
Het meewerkend voorwerp
Het lijdend voorwerp
1e naamval
Wie/wat+onderwerp+gezegde
4e naamval
Wie/wat+gezegde
3e naamval
aan/voor wie of wat

Slide 4 - Drag question

Voorzetsels 3e naamval
Voorzetsels 4e naamval
ohne
für
um
durch
mit
nach
zu
gegen
entlang
bis
bei
aus
seit
von

Slide 5 - Drag question

der-Gruppe
ein-Gruppe
ein-
kein-
der/die/das
solch-
mein-
dein-
sein-
ihr- 
unser-
euer-
Ihr-
manch-
all-
dies-
jed-
welch-

Slide 6 - Drag question

Der-Gruppe
De groep woorden die op dezelfde manier worden vervoegd als der, die & das.

Dit zijn daarnaast de woorden: 

welch-, all-, dies-, jed-, solch- &  manch- 

Slide 7 - Slide

Der-Gruppe
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1. der
die
das
die
3. dem
der
dem
den +n
4. den
die
das
die

Slide 8 - Slide

Ein-Gruppe
De groep woorden die op dezelfde manier worden vervoegd als ein en kein.

Dit zijn alle bezittelijk voornaamwoorden: mein-, dein-, sein-, ihr-, unser-, euer-, ihr- en Ihr-.

Slide 9 - Slide

Ein-Gruppe
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
meervoud
1
ein
eine
ein
meine
3
einem
einer
einem
meinen +n
4
einen
eine
ein
meine

Slide 10 - Slide

D..... Mann ist freundlich.
A
der
B
dem
C
das
D
den

Slide 11 - Quiz

Ich finde d...... Mann freundlich.
A
der
B
dem
C
das
D
den

Slide 12 - Quiz

Das Geschenk ist für d....... Mann.
A
der
B
dem
C
das
D
den

Slide 13 - Quiz

(zulke) Solch..... Aufgaben sind schwierig.
A
solcher
B
solch
C
solchen
D
solche

Slide 14 - Quiz

Bij welke groep hoort: euer
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 15 - Quiz

bij welke groep hoort het woordje unser
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 16 - Quiz

Bezittelijke voornaamwoorden (b.v. mein, dein, sein, ihr, enz.) horen bij de
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 17 - Quiz

Bij welke groep hoort de vertaling van het woord "geen"?
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 18 - Quiz

Bij welke groep hoort dem
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 19 - Quiz

Bij welke groep hoort: euer
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 20 - Quiz

Bij welke groep hoort welch-
A
der-groep
B
ein-groep

Slide 21 - Quiz

Bij welke groep hoort de vertaling van het woord "geen"?
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 22 - Quiz

Der Trabi fährt gegen ein ___________ Baum (m).
A
ein
B
einen

Slide 23 - Quiz

ein, eine, zijn .... ?
A
bijvoeglijke naamwoorden
B
onbepaalde lidwoorden
C
bepaalde lidwoorden
D
bezittelijke voornaamwoorden

Slide 24 - Quiz

Ein___ Oma
schenkt
ihr___ Sohn
ein__ Tasche (v)
A
Eine, ihrer, ein
B
Einer, ihrer, einem
C
Eine, ihrem, eine
D
Einer, ihren, einen

Slide 25 - Quiz

Wähle die richtige Form.

Ich schenke dir ein___ Wein (m) ein.
A
ein
B
einem
C
einen
D
einer

Slide 26 - Quiz