Kristallen van jood (I₂) in een afgesloten glazen fles (foto: Dnn87, CC BY 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Examentraining
Moleculen en bindingen: zo pak je examenvragen aan
Kristallen van jood (I₂) in een afgesloten glazen fles (foto: Dnn87, CC BY 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Examentraining
Moleculen en bindingen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Dnn87 / Wikimedia Commons, CC BY 3.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan formules en structuren opstellen en kookpunt, fase-overgangen en oplosbaarheid verklaren met de bindingen binnen en tussen moleculen.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: formule, naam, structuur of kookpunten?
2. Herken: welke bindingen zitten binnen het molecuul en welke werken tussen moleculen?
3. Koppel: welke binding hoort bij de eigenschap in de vraag (kookpunt, oplosbaarheid)?
4. Schrijf: noem de soort binding én tussen welke deeltjes die werkt.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Vraagtype 1: formule, naam en structuur
Zet een naam om met de telwoorden: di 2, tri 3, tetra 4, penta 5.
Controleer een structuur met de covalenties: elk atoom heeft precies zoveel strepen.
Voorbeeld: stikstofdioxide is NO₂, want mono laat je bij het eerste atoom weg.
This item has no instructions
Wat is de molecuulformule van distikstoftetraoxide?
N₄O₂
N₂O₄
NO₄
N₂O₂
Syllabus M1.2: di is 2 stikstof, tetra is 4 zuurstof. Verwachte fout: de telwoorden verwisselen (N₄O₂).
Hoe zijn de twee C-atomen in C₂H₂ gebonden?
Syllabus M1.13. Een goed antwoord: met een drievoudige binding (H–C≡C–H). Elke H heeft covalentie 1 en bindt aan één C; elke C heeft covalentie 4, dus er blijven 3 strepen over tussen de C-atomen. Verwachte fout: een enkele binding tekenen, waardoor C maar 2 strepen heeft.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Vraagtype 2: kookpunt verklaren
Vergelijk eerst de molecuulmassa: grotere massa geeft sterkere vanderwaalsbindingen.
Heeft één stof O–H of N–H groepen? Dan komen er waterstofbruggen bij.
Het kookpunt hangt af van de bindingen tussen de moleculen, niet van de atoombindingen.
This item has no instructions
Propaan (44 u) kookt bij −42 °C, ethaan (30 u) bij −89 °C. Waarom?
Propaan heeft sterkere atoombindingen
Propaan vormt waterstofbruggen, ethaan niet
Propaan heeft een kleinere molecuulmassa
Grotere massa: sterkere vanderwaalsbinding
Syllabus M3.1, M3.3. Beide zijn koolwaterstoffen zonder O–H of N–H groepen; het verschil zit in de molecuulmassa. Verwachte fout: de atoombindingen als oorzaak noemen.
Ethaan (30 u) kookt bij −89 °C, methanol (32 u) bij 65 °C. Waarom?
Methanol vormt waterstofbruggen (O–H groep)
Methanol heeft sterkere atoombindingen
Methanol heeft een veel grotere massa
Bij koken van methanol breken atoombindingen
Syllabus M3.1, M3.3. De molecuulmassa's liggen dicht bij elkaar, dus de waterstofbruggen in methanol verklaren het grote verschil. Verwachte fout: de molecuulmassa als oorzaak noemen.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Vraagtype 3: fase-overgang en bindingen
Noem bij elke fase-overgang welke bindingen verbroken of gevormd worden.
Smelten en verdampen: verbreken. Stollen en condenseren: vormen.
Het gaat altijd om bindingen tussen de moleculen; de atoombindingen blijven heel.
This item has no instructions
Welke bindingen worden verbroken als water verdampt?
De O–H atoombindingen in de watermoleculen
De atoombindingen en de waterstofbruggen
Waterstofbruggen tussen de watermoleculen
Geen: er worden nieuwe bindingen gevormd
Syllabus M3.4. Bij verdampen gaan de moleculen uit elkaar; ze blijven H₂O. Verwachte fout: de O–H atoombindingen kiezen.
Vul in
Bij het stollen van water worden waterstofbruggen gevormd tussen de moleculen; de atoombindingen blijven heel.
Syllabus M3.4: stollen vormt bindingen tussen moleculen. Waterstofbruggen zijn hier het best passende antwoord voor water.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Vraagtype 4: hydrofiel, hydrofoob en oplossen
Zoek in de structuur naar O–H of N–H groepen: die maken een stof hydrofiel.
Geen O–H of N–H groepen: alleen vanderwaalsbindingen, dus hydrofoob.
Verklaar met waterstofbruggen tussen de stof en water, of het ontbreken ervan.
This item has no instructions
Glucose (veel O–H groepen) lost goed op in water, hexaan (C₆H₁₄) niet. Waarom?
Glucose heeft een grotere molecuulmassa
Hexaan heeft sterkere atoombindingen
Glucose vormt waterstofbruggen met water
Hexaan is hydrofiel, glucose hydrofoob
Syllabus M3.5, M3.6. Verwachte fout: de molecuulmassa als oorzaak noemen of hydrofiel en hydrofoob verwisselen.
Waarom vormt water druppels op kaarsvet?
Syllabus M3.7. Kaarsvet is een hydrofobe stof, net als was. Een goed antwoord: water vormt geen waterstofbruggen met de laag, maar wel met zichzelf, dus de watermoleculen blijven bij elkaar. Verwachte fout: zeggen dat de laag het water afstoot zonder bindingen te noemen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Formule, naam en structuur
Kookpunt verklaren
Fase-overgang en bindingen
Hydrofiel, hydrofoob en oplossen
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · MOLECULEN
Tips voor op het examen
Schrijf bij een verklaring altijd de soort binding én tussen welke deeltjes die werkt.
Kookpunt en smeltpunt gaan over bindingen tussen moleculen, nooit over atoombindingen.
Waterstofbruggen heb je alleen als er O–H of N–H in het molecuul zit.
Vergelijk bij kookpunten eerst de molecuulmassa, kijk daarna naar waterstofbruggen.
Controleer een structuurformule met de covalentie van elk atoom.
This item has no instructions