3.4 t/m 3.8 Criminaliteit

Maatschappijwetenschappen 
 @MixedSignalSociety
1 / 29
next
Slide 1: Slide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 29 slides, with text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Maatschappijwetenschappen 
 @MixedSignalSociety

Slide 1 - Slide

3.4 Veiligheidsutopie
Het dilemma van vrijheid versus veiligheid.

Dilemma:
We willen optimale vrijheid kunnen genieten, maar ook dat de negatieve kanten van die vrijheid door de overheid worden aangepakt om de veiligheid van de samenleving te garanderen.

Slide 2 - Slide

Veiligheidsutopie
  • Een veiligheidsutopie is de onbereikbare wens voor optimale individuele vrijheid en tegelijkertijd het willen garanderen van de collectieve veiligheid
  • Er is altijd sprake van een dilemma tussen veiligheid en vrijheid (privacy).

Bijvoorbeeld: het oppakken van een terrorist vraagt om het afluisteren van telefoons en dit zorgt voor de inperking van vrijheid en privacy.


Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Veiligheid
  • Principe is dat schuldigen gestraft worden en onschuldigen niet!
  • Iedereen is onschuldig totdat het tegendeel bewezen wordt (onschuldpresumptie)
  • Recht op een eerlijk proces
  • Verbod op onmenselijke behandeling (rechten van verdachte)

Slide 5 - Slide

Veiligheid
  • We benoemen (creëren) eerst een crisis en willen die vervolgens beheersen en controleren. (= risicosamenleving)
  • Ontstaan van een controle maatschappij waarbij we met allerlei middelen het gedrag van mensen willen controleren en beheersen.
  • Er is een wil om te straffen (punitiviteit)
  • We willen daders onschadelijk maken (incapacitatie)

Slide 6 - Slide

3.5 Wat is criminaliteit?
Criminaliteit is strafbaar gesteld gedrag.
- Strafwaardig = wat we waard vinden om wel of niet te bestraffen:

  • Maatschappelijke ontwikkelingen
  • Berichtgeving door de media
  • Door politiek en maatschappelijk debat



Slide 7 - Slide

Overtreding = 
Een overtreding is in het strafrecht een relatief licht strafbaar feit. Iemand die een overtreding begaat, kan hiervoor bestraft worden.
Misdrijf = Misdrijven zijn strafbare feiten die zwaarder zijn dan overtredingen en waar ook hogere straffen op staan. In het Nederlandse strafrecht is een misdrijf een relatief zwaar strafbaar feit. 


Slide 8 - Slide

Wat is criminaliteit?
Strafbaar = wat volgens de wet niet mag
  • Gevolgen slachtoffer en samenleving
  • Mening van het volk over wat misdadig zou moeten zijn
  • De morele opvatting van degenen die macht hebben

Slide 9 - Slide

Strenger straffen?
Te veel strafbaar maken (criminaliseren) schiet zijn doel voorbij. Criminaliteit zal er altijd zijn en blijven = tijd en plaatsgebonden (afhankelijk van de CULTUUR)
  • (harder) Straffen maakt de samenleving per definitie niet veiliger
  • ‘we kunnen ons er niet aan houden’
  • Hoe meer strafbaar hoe meer criminelen (cellentekort)
  • Capaciteitsproblemen rechtssysteem
  • Kost veel geld

Slide 10 - Slide

Subsidariteitsbeginsel
Ultimum remedium principe  =(subsidariteitsbeginsel)
 
Strafbaar maken van gedrag is alleen zinvol als er een goede reden voor is en wanneer andere systemen van rechtshandhaving te weinig voor wenselijke en haalbare oplossingen zorgen (wanneer zelfregulering faalt)

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Legaliteitsbeginsel
  • Mensen mogen alleen gestraft worden op basis van strafbepalingen die die opgeschreven staan in door de overheid vastgestelde wetten.
  • Ook de overheid moet zich aan de wet houden

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Rechter kan en mag de wet interpreteren
  • Bij onduidelijkheid doet de Hoge Raad uitspraak (Arrest = status van een wet)
  • Jurisprudentie: uitspraak (uitleg) van een hogere rechter die lagere rechters opvolgen

Slide 15 - Slide

Recap-vragen
  • Welke 3 soorten bedreigingen zijn er?
  • Wat is de veiligheidsparadox?
  • Wat is de veiligheidsutopie?
  • Wat betekent criminaliteit?
  • Wat is het verschil tussen een overtreding en een misdrijf?
  • Wat betekent onschuldpresumptie?
  • Wat is het verschil tussen horizontale en verticale rechtsbescherming?

Slide 16 - Slide

3.6 Soorten criminaliteit
  1. Geweldsdelicten
  2. Delicten tegen openbare orde en gezag
  3. Vernieling
  4. Economische delicten
  5. Vermogenscriminaliteit
  6. Verkeersdelicten
  7. Drugsdelicten
  8. Milieudelicten
  9. Verboden wapenbezit

Slide 17 - Slide

Kleine en grote criminaliteit
Kleine criminaliteit = Massaal voorkomende strafbare gedragingen die hinderlijk zijn voor burgers en die gevoelens van onveiligheid kunnen vergroten.
  • Graffiti, woninginbraak, bedreigingen
  • Zwartrijden, voetbalvandalisme

Grote criminaliteit = Omvat de ernstige vormen van criminaliteit.
  • Moord
  • Terrorisme

Slide 18 - Slide

3.7 Veranderingen in criminaliteit
In de samenleving ontstaan verschuivingen en veranderingen:
  1. Globalisering
  2. Digitalisering en informatisering
  3. Terrorisme en computercriminaliteit
  4. Stijgende vermogenscriminaliteit
  5. Aantal geweldsdelicten is gedaald
  6. De mate van (informele en formele) sociale controle
  7. Preventieve werking socialisatoren

Slide 19 - Slide

Formele vs Informele controle
Formele sociale controle
  • Gebaseerd op geschreven regels
  • Vastgelegd in wetten, regels en contracten

Informele sociale controle
  • Beleefdheidsvormen
  • Ongeschreven regels waar men zich aan behoort te houden

Slide 20 - Slide

Risicofactoren criminaliteit
  1. Geslacht
  2. Leeftijd
  3. Maatschappelijke positie
  4. Etnische afkomst
  5. Opvoeding en omgeving

Slide 21 - Slide

Recap-vragen
  • Welke vormen van criminaliteit zijn er?
  • Wat is het verschil tussen misdrijf en overtreding?
  • Wat betekent sociale controle?
  • Wat is het verschil tussen formele en informele controle?
  • Welke veranderingen in criminaliteit hebben we gezien?
  • Welke risicofactoren zijn er voor criminaliteit?
  • Welke socialisatoren beïnvloeden jou op micro-niveau?

Slide 22 - Slide

3.7 Socialisatie
Het levenslange proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groepen en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding en omgang met anderen.

Twee niveaus:
  • Microniveau - niveau van het individu
  • Macroniveau - niveau van de samenleving

Slide 23 - Slide

Socialisatoren op micro-niveau
  • Gezin
  • School
  • Werkplek
  • Massamedia 
  • Overheid
  • Leeftijdsgenoten
  • Kerk of moskee
  • Buurt
  • Vakbonden
  • Maatschappelijke en vrijetijdsgroeperingen

Slide 24 - Slide

Ontwikkelingen op macro-niveau
  • Maatschappelijke achterstand
  • Afnemende sociale controle
  • Veranderende normen en waarden
  • Meer welvaart
  • Alcohol en drugsgebruik
  • Pakkans
  • Zichtbaarheid van het delict
  • Selectieve opsporingsbeleid

Slide 25 - Slide

Sociaal-psychologie
Jongeren lijken tijdens het plegen van crimineel gedrag hun eigen schuld (tijdelijk) buitenspel te zetten (= neutralisatie).

  • Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
  • Ontkenning dat iemand slachtoffer wordt
  • Ontkenning dat anderen hen niet mogen veroordelen, aangezien zij ook geen heiligen zijn

Slide 26 - Slide

3.8 Vraagstukken bij criminaliteit
  1. Maatschappelijke vraagstukken
  • Normvervaging
  • Individualisering
  • Gebrek aan sociale cohesie

Slide 27 - Slide

Vraagstukken bij criminaliteit

  1. Sociale ongelijkheid
  • Een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde producten en ongelijke waardering en behandeling.
  • > Maatschappelijke positie bepaalt het soort criminaliteit

Slide 28 - Slide

Maken:
  • Open vragen LessonUp
  • Opd. 29 t/m 84 

Slide 29 - Slide