Dit examenonderdeel bestaat voor het grootste deel uit H6. De belangrijkste punten:
- Je weet wanneer iets bestaat uit moleculen, ionen of atomen. - Je kent de belangrijkste ionen (bij naam) - Rationele naam geven van zouten en moleculen
Slide 2 - Slide
Zouten
Bestaat uit Metaal + Niet metaal in het Periodiek Systeem.
De atomen hebben een lading: Het zijn ionen
De rationele naam kan bij zouten een Romeins cijfer hebben.
Slide 3 - Slide
Het Romeinse cijfer
Gaat over de LADING van het metaal-ion. (Metaal-ionen kunnen namelijk verschillende ladingen krijgen)
Het gaat NOOIT over het aantal atomen in de zoutformule
Slide 4 - Slide
Voorbeeld:
Chroom(IV)oxide en chroom(VI)oxide (chroom-vier-oxide en chroom-zes-oxide)
Zuurstof is altijd 2-. De totale lading is neutraal, dus:
Slide 5 - Slide
KENNEN!
Slide 6 - Slide
Oplosbaarheid van zouten
Soms moet je iets zeggen over de oplosbaarheid van zouten.
Let op: G en S staat hier voor goed of slecht oplosbaar. Niet voor 'gas' of 'solid'.
Slecht oplosbaar --> Het slaat neer
Slide 7 - Slide
Moleculaire stoffen(=moleculen)
Bestaan alleen uit niet-metalen en hebben geen lading
Meestal C, N, O, H, P... dat soort dingen
Rationele naam is met mono, di, tri, tetra, penta om het aantal atomen aan te geven: N2O5 --> Di-stikstof-penta-oxide
Slide 8 - Slide
Deze elementen komen met z'n tweeën voor. Andere elementen komen alleen voor. Niet vergeten!
Let op: Bij meer dan één atoomsoort (= verbinding) geldt dit niet
Slide 9 - Slide
Stroomgeleiding
Altijd geladen deeltjes voor nodig die kunnen bewegen.
Moleculaire stoffen --> Nooit geladen deeltjes.
Metaal(atomen) --> Altijd vrije geladen deeltjes
Ionen --> Alleen als ze vloeibaar of opgelost zijn
Slide 10 - Slide
Periodiek Systeem
Van links naar rechts = 1 Periode
Van Boven naar beneden = 1 Groep Binnen 1 groep lijken atomen vaak veel op elkaar qua gedrag.
Groep 17: Halogenen Groep 18: Edelgassen
Slide 11 - Slide
Overige dingen
Ontleedbare stof = Verbinding = Meer dan 1 atoomsoort.